Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

FVANH0379_0381_18302

Een sage (mondeling), 1967

Hoofdtekst

Fantastische verhalen vertelde mijn oom zaliger soms die werkelijk aan het ongelooflijke grensden. Hij zelf scheen eraan te geloven. Uit de mond van zijn eigen grootmoeder had hij ze vernomen en die zou er zeker niet om gelogen hebben, beweerde hij altijd. Een geboren verteller was hij trouwens en ik hing dan ook aan zijn lippen als hij zijn pijp aanstak en het zich gemakkelijk maakte.Op de Knok, zo begon hij bedachtzaam, was er zich een jong gezin komen vestigen, mensen uit den vreemde. Niemand wist eigenlijk juist van waar ze kwamen en ze trokken zich ook niet veel iemand aan.Maar op een koude winteravond, de sneeuw lag wel een halve meter dik, werd die vrouw door haar man dood aangetroffen op enkele meters van hun woning. Ze lag languit in de sneeuw, het aangezicht naar de grond, en met krampachtig graaiende vingers in de sneeuw rondom. Het vreemde was echter dat er een spoor van een reusachtige hond naar het lijk leidde. Nergens nochtans was er enig teken van geweld op haar te zien, maar er waren mensen die de vrouw naar huis hadden zien trekken, op een paar passen afstand gevolgd door een grote zwarte hond met vlammende ogen.Nu, het geval geraakte vergeten en de man scheen het zich niet al te zeer aan te trekken, want kort nadien hertrouwde hij met een zeer jong ding uit een naburig dorp. Haar handen stonden verkeerd en aan werken had ze een broertje dood. En om deze reden en ook wel om zelf de handen vrij te hebben zond de man ze nog een tijdje naar een kostschool naar de stad. Als hij ze ging opzoeken maakte hij ze ginder niet wijs dat het zijn vrouw was. Op een goeie dag dat er vrijaf was ging hij ze afhalen. Langs de verlaten en eenzame weg trokken ze door de donkere avond naar huis. Bijna thuis, een paar honderd meters voorbij Kuipershof, waar die zwarte hond gezien werd, horen ze plots hoefgetrappel en het ratelen van een kar. Als uit een mist rijst langzaam voor hen op een begrafenisstoet: vier pikzwarte paarden, prachtig opgetuigd en driftig in hun schoonheid trekken ze de zwarte lijkwagen. Een grote magere heer ment stilzwijgend het sombere span. Hij is eveneens helemaal in het zwart, een zwart, een zwarte buis, zwarte lange mantel, zwarte laarzen, gitzwart haar en een zwarte rijzweep in de hand. Aan weerszijden van de lijkwagen lopen er een rij zwarte dames. Het licht van hun brandende lantaarns, die ze bijhebben, verlicht spookachtig hun zonderlinge lange gedaanten. Een vreemd gezang als van duizende klagende stemmen zweeft omheen de stoet. Het koppel staat eerst aan de grond genageld, maar als de vrouw eindelijk een kruis slaat, splijt de lijkwagen onder krijsend gekraak middendoor en splitst zich. De weg ligt vrij. Ze worden stilzwijgend doorgelaten. Geen hand wordt naar hen uitgestoken.De jonge vrouw is er zo onder de indruk van dat ze er zwaar ziek van wordt. De pastoor wordt er bijgehaald, hij laat zich alles rustig vertellen en meent tenslotte dat de duivel in het spel is, en alles moet overgedaan worden, hij zal hen bijstaan.Als de vrouw wat hersteld is, trekken ze met de pastoor naar de stad.Tegen de avond, een echte stormavond, keren ze onder de gutsende regen weer naar huis. De pastoor volgt hen op enkele tientallen meters. En zie, aan het Kuipershof gekomen, daar klinkt weer het holle hoefgetrappel en het geratel van de lijkkoets. De regen horen ze duidelijk tokkelen op de houten holle kist. De zwarte heer zit verstijfd vooraan op de bok. De zwarte dames zwaaien met hun spooklichten. De pastoor snelt vooruit en volgt de stoet. Even later zien ze plots de driftige hengsten stijgeren. Ze briesen bij het knallen van de rijzweep. Hun hoeven klauwen in de lucht en daar verdwijnt de stoet in het ijle. De ruisende lange gewaden van de duivelsmaagden verwekken een plotse windstoot, die hen bijna omver werpt. Een zwavelstank slaat hen in het gezicht.De donkere hemel heeft alles verzwolgen. Er is niets anders meer dan de zwarte duisternis en de pastoor die terugkomt, dikke zweetparels druppelen op zijn voorhoofd onder zijn breedgerande hoed. Ze voelen plots de regen weer striemen.Sedert is alles goed gegaan in hun huishouden.Uit dankbaarheid hebben die mensen op die plek een kapelletje laten bouwen. We zijn er dikwijls met de schoolwandeling langs gekomen, vertelt oom. De meester herinnerde ons steeds aan die vreemde gebeurtenissen, dus het moet wel zijn dat er iets van waar was, besloot oom telkens.

Onderwerp

SINSAG 0945 - Andere Begegnungen mit dem Teufel.    SINSAG 0945 - Andere Begegnungen mit dem Teufel.   

Beschrijving

Op de Knok was een jong gezin komen wonen. Op een koude winteravond vond de man zijn vrouw dood in de sneeuw. De vrouw lag op haar buik en had met haar handen in de sneeuw gegraaid. Sporen van een reusachtige hond leidden naar het lijk. Enkele mensen hadden gezien hoe de vrouw op haar weg naar huis was achtervolgd door een grote zwarte hond met vlammende ogen.
De man hertrouwde met een jong meisje uit een naburig dorp. Omdat het meisje niet wilde werken, zond de man haar nog een tijdje naar de kostschool. Wanneer hij het meisje ging opzoeken, vertelde hij aan niemand dat ze zijn vrouw was. Toen het meisje vrijaf had, ging de man haar ophalen. 's Avonds reden ze over een verlaten weg naar huis. De twee waren bijna thuis, toen ze plots een begrafenisstoet met vier zwarte paarden uit de mist zagen verschijnen. De voerman was een grote magere heer die helemaal in het zwart was gekleed. Langs beide kanten van de lijkwagen liepen in het zwart geklede dames met lantarens in de hand. Bij het zien van dat alles maakte het meisje snel een kruisteken. Daarop brak de lijkwagen met luid gekraak middendoor en verdween het hele tafereel. Het meisje was zo onder de indruk van wat ze had gezien, dat ze ziek werd. Toen de pastoor vernam wat er was gebeurd, gaf hij de man en het meisje de raad om het hele gebeuren nog eens over te doen. De pastoor zou hen op korte afstand volgen, want hij was ervan overtuigd dat de duivel er iets mee te maken had. Op een stormachtige avond reden de man en het meisje opnieuw over die weg, deze keer begeleid door de pastoor. Op dezelfde plaats verscheen de lijkstoet opnieuw. Zodra de pastoor de stoet naderde, begonnen de paarden te steigeren. Het volgende ogenblik verdween de stoet in het ijle. De geestelijke kwam terug met dikke zweetdruppels op zijn hoofd. Sinds die avond leidden de man en het meisje een gelukkig leven. Op de plaats van het gebeuren lieten ze uit dankbaarheid een kapelletje bouwen.

Bron

F. Van Houdenhove, Leuven, 1967

Commentaar

3.1 Duivels
west-vlaams (tussen schelde en leie)
602
Grootmoeder van de oom van de informant
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Knok (Avelgem)    Knok (Avelgem)   

Naam Locatie in Tekst

Vichte    Vichte   

Plaats van Handelen

Knok (Avelgem)    Knok (Avelgem)