Hoofdtekst
Constant Demey had een klein huizetje. Ik weunde daar nevers. Ip nen nacht hoorde ik hem klagen. Ik dacht dat er inbrekers waren. Ik roepe naar hem. Hij doet open en zegt: "’k Zijn were bereden geweest van de mare”. Takken in d’hage die gerimpeld en beschimpeld waren, dat was ook van de mare bereden.
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Een vrouw hoorde op een nacht haar buurman klagend roepen. Omdat de vrouw dacht dat het om een inbraak ging, snelde ze haar buurman te hulp. "Ik ben weer door de maar bereden", sprak de buurman tot de bezorgde vrouw.
Takken die er uitgedroogd en beschimmeld uitzagen, waren ook door de maar bereden.
Takken die er uitgedroogd en beschimmeld uitzagen, waren ook door de maar bereden.
Bron
W. Van Houcke, Leuven, 1970
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (houtland)
137
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Torhout   
