Hoofdtekst
’t Was ne keer ne knecht bij nen boer en hij zou geren naar den eersten Toog gegaan hên en hij en mocht niet van den boer: da mes moest eerst gestrooid zijn.“Awel, zei ’t hij, eer da’k aanga, zal ’t mes a’maal openliggen op ’t veld”, zei ’t ie.En ie deed zijn berenvel op en ie trok naar de kouter. En ten twaalven was hij daar were. En ’t mes was a’maal gestrooid.
Beschrijving
Een knecht die bij een boer werkte, wilde graag naar café Den Toog gaan, maar hij mocht pas vertrekken wanneer het veld was bemest. De knecht trok zijn berenvel aan en ging naar het veld. Om twaalf uur was hij alweer terug op de boerderij. Het hele veld was bemest.
Bron
R. De Geeter, Gent, 1952
Commentaar
3.1 Duivels
oost-vlaams (zuiden)
225
fabulaat
Naam Overig in Tekst
café Den Toog   
Den Toog (café)   
Naam Locatie in Tekst
Parike   
