Hoofdtekst
Overtijd ze zagen doodkeersen, en dat was bij nachte als ’t stijf gesmoord was, en de menschen grepen daarachter en je koste dat niet krijgen.De menschen gaven nulder (zich) dat toe dat ’t doodluchten waren, dat was superstitie. Ze waren verschrikt daarvoren, ze grepen daarachter en ze voelden nietend, en dat dat algelijk ossan weerekeerde.
Beschrijving
Bij mistig weer zagen de mensen 's nachts vaak doodkaarsen. Ze probeerden dan naar de lichtjes te grijpen, maar ze grepen er steeds naast.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (franse grens)
45
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Haringe   
