Hoofdtekst
‘k Eén ik nog horen vertellen dat de paster van Rozebeke elders ging gon slapen omdatten verwittigd wos. Enn’had e dotshoofd up den tafel gezet. Z’één toch binnengeweest en olles kapot geslegen. De paster peinsde dat ze gingen toet inkeer kommen met dien dotsekop. Ze woren zieder overol bij. Ze moeten zieder met èn indelikschge bende geweest zijn. Vader ee dikwijls verteld datten manschappen hoorde ’s nachts, enne keek deur ’t endevijnster enne zag dor mannen voorbijgon. Mor ze zijn dor nooit binnengeweest bij de Pecceus want ’t woren dor stieve sterke mannen.(er is hier blijkbaar een verwarring tussen Bakelandt en Pollet)
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
De pastoor van Rozebeke ging op een nacht elders slapen omdat hij had gehoord dat rovers een inbraak in zijn huis hadden gepland. De pastoor had een doodshoofd op de tafel gezet, in de hoop dat de rovers daardoor tot inkeer zouden komen. De rovers sloegen echter toch alles stuk in huis.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (vrijbos)
124A
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Westrozebeke   
Plaats van Handelen
Rozebeke   
