Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MDREE0179_0180_2227 - Overnachting in een spookkasteel; spoken wijzen een pot goud

Een sage (mondeling), 1967

Hoofdtekst

Dat was ene vader en zijne zoon, en de vader was metser (= metselaar) en de zoon was metser-dienaar dan. Ze hadden laat gewerk(t) en ze kwamen neven de kerekhof door - in Nerem of doa ereges - . Toen zei de vader tegen de zoon: 'hier zoudste wel ruizelen!' - 'Voorwa wel?' - 'Tcha, van de angs(t)!' - 'Wa is dat?' - 'Tcha bang hebben! dat kan ich tich nie vertellen; dat is bang en schrik en van alles, kom!' Mè de zoon bleef aandringen: 'ich moet toch weten wa dat is! dan werek ich niemee en ich gaan voyageren!' En he ging rond. He kwam aan e groot kasteel en vroeg logis. - 'Ja, zei den heer, hier zijn logis, de kons (= ge kunt) de nach(t) hier doorbrengen, mè ich zeg het tich maar, hier durft nooit gene terugkomen.' - 'Dat moet ich zjus hebben!' zei die. En hij had e schoon bed en al, en he bleef in dat kasteel slapen. De joste (= eerste) nach(t), klokslag twalef uren, hoorter ineens e lawaai in de schouw en he denk(t): 'Wa is dat?' en toen vielen allemaal doodsknoken van de schouw af. 'Non de dzju! aantreen (= straks) ben ich aan 't keugelen !' He pakte ze vas(t) - 't waoreter (= 't waren er) negen - en he zat (zette) ze rech(t). 'Nu moet ich nog ene kloot hebben' zeiter; toen kwam ene doodskop door de schouw afgerold; he pak(t) hem en toen zeiter: 'Nu moes(t) ich wel een compa(g)nie hebben voor te keugelen!' Toen kwamen opeens tien, vijftien spoken in 't wit neven hem, genen ene kalde (= sprak). - 'Wie wilt met mich keugelen?' vroegter, mè genen antwoordde. 'Stommerikke! duut oer maul oape!' (= doe uw muil open) zeiter en ineens vlogen ze onder hem in tot aan 't plafong, de knoken en alles onderste boven. ''t Is niks met dat volek!' dachter en he ging terug zij(n) bed in; mè dat lag ook onderste boven. Hij wilde vechten, mè he zag niks mee(r). 's Moreges kwam de heer van 't kasteel en die vroeg 'wei (= hoe) hadste dich geamuseerd?' - 'Goed, zei de man, mè ich weet nog nie wa bang hebben is.' De tweede dag was 't weer 't zelfde... mè eer 't gedaan was, waren de vinsters uit het kasteel gevlogen, ze houwden hem door de kallerdeur uit en zo de kaller (= kelder) af. Toen was al kalem en toen kwamen doa drie, vier van die witheren, die spoken, en ze zegden tegen hem: 'In die hoek staat ene pot goud, die is voor den heer van 't kasteel. In die hoek staat ene pot, die is voor missen laten te doen voor de spoken. En in die hoek staat nog ene pot goud, die is voor dich. Nu zijn we verlos(t), en we bedanken dich en de bes (= gezijt) rijk! We waren verdoemd, mè doa moes(t) ene man zijn wa drie daag dors(t) komen!' He ging thuis en he zei tegen zijne pa: 'nu hoefste nooit mee(r) te wereken, we zijn nu rijk genoeg, mè ich heb toch spijt, ich weet nog nie wa bang hebben is.'

Onderwerp

SINSAG 0477 - Begegnung mit Geistern.    SINSAG 0477 - Begegnung mit Geistern.   

Beschrijving

Een metselaar en zijn zoon kwamen 's avonds terug van het werk. Toen ze voorbij het kerkhof kwamen, zei de vader: "Hier zou je wel bang zijn, hè!" De zoon wilde zijn moed bewijzen en wandelde rond om erachter te komen wat angst precies was. Wat verderop bereikte de jongeman een kasteel waar hij de nacht wilde doorbrengen. Men waarschuwde hem echter: "Niemand die hier is geweest, durft ooit nog terug te komen!" "Dat is juist wat ik zocht", antwoordde de jongeman dapper. Die nacht zag de jongeman om klokslag twaalf uur beenderen uit de schoorsteen vallen. Daarop sprak hij: "Wat is dat nu? Straks kan ik nog kegelen! Ik heb alleen nog een bal nodig." Het volgende ogenblik rolde er een schedel naar beneden. "Nu heb ik nog gezelschap nodig om te kegelen", sprak de jongeman. Onmiddellijk verschenen er meer dan tien zwijgende spoken in de kamer. Daarop vroeg de jongeman: "Wie wil er met mij kegelen?" Omdat geen enkel spook iets zei, riep de jongen geërgerd: "Stommerik, doe dan je muil open!" Het volgende ogenblik vlogen de spoken boos in het rond en gooiden alles omver. Toen de kasteelheer 's ochtends aan de jongeman vroeg of hij zich had geamuseerd, antwoordde deze: "Ja, maar ik weet nog steeds niet wat bang zijn is". Hetzelfde tafereel speelde zich de ook tijdens de tweede nacht af. Tijdens de derde nacht werd de jongeman door de spoken naar de kelder gejaagd. Daarna kwamen er enkele spoken, die zeiden: "In die hoek staat een pot goud voor de kasteelheer. In die hoek staat een pot goud om missen te laten doen voor de spoken. En in die hoek staat een pot goud voor jou. We moeten je bedanken, want nu zijn we verlost. We hadden iemand nodig die drie dagen hier durfde te blijven." De jongeman ging naar huis en sprak tot zijn vader: "Nu hoef je nooit meer te werken, want we zijn nu schatrijk. Maar ik heb toch spijt omdat ik nog steeds niet weet wat angst is."

Bron

M. Dreezen, Leuven, 1967

Commentaar

6. Sagen - Sprookjes
limburgs (tongeren en omstreken)
492
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Mal    Mal