Hoofdtekst
J. S., die was gaan 'kerseren' en 's avonds kwam hij gelijk een man die zei: 'Ik moet mijn broek eens afdoen, hier is mijn 'moaslat' en als daar 'bediene' een hond afkomt, gooit hem dat in zijn muil. Daar kwam ook een hond en hij gooide hem die moaslat in zijn muil. Kort daarna kwam die man opnieuw gelijk hem en ze gingen een herberg binnen en ze zagen toen de vetsemen tussen zijn tanden steken. Die man was een weerwolf, dat waren er die met de duivel omgingen en als die die plaag op hen hadden, MOESTEN ze. Die man zei tegen S. dat hij wel mocht vertellen wat er gebeurd was, maar dat hij zijn naam niet mocht zeggen, want anders zou hij sterven...
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Toen J.S. terugkwam van een bezoek aan zijn vriendin, kwam hij een man tegen die zei: "Ik moet even een boodschap doen. Als er een hond op je af zou komen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil". Even later kwam er inderdaad een hond aan, en J.S. deed wat hem was aangeraden. Even later gingen beide mannen naar een herberg. J.S. zag dat zijn gezel de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had. J.S. mocht aan niemand vertellen dat hij wist wie de weerwolf was, want dan zou hij sterven.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
1.6 Weerwolven
midden-limburgs
i
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Diepenbeek   
