Hoofdtekst
48 P -En dan is het verhaal van mijn zoon, dat is zo, allez, ja, en dat is een verhaal van dat ons veel en lang en nog bezig houdt. Mijn zoon is nu bijna dertig jaar en hij was ongeveer, hoe lang zou dat geleden zijn? Een jaar of zeven moet dat geleden zijn, hij studeerde thuns (toen) nog, want hij heeft tot zijn zevenentwintig jaar gestudeerd.46 -Langer is het niet ze (hoor)! Wanneer is hij getrouwd?48 -Over twee jaar en vier jaar verkeren, hij verkeerde al vier jaar.46 -Wel ja, het zal wel zeven jaar zijn.II -Ja, ja, het gaat rap voorbij.(de telefoon rinkelt, wij stopten de opname even.)48 -Ja, dus mijn zoon krijgt een aanbieding voor met een stuk of drie, vier naar Italië te gaan om een produkt te lanceren, op de markt te brengen dus, allez, ze kregen daar een vergoeding voor, dat was voor acht dagen, dat was in de winter voor naar Italie te gaan met een stuk of vier om een nieuw produkt te lanceren, omwille van de talen en van, mijn zoon is licentiaat vertaler-tolk, en dus ze aanvaarden dat en ze vertrekken hier, niet met vier, want die een die meeging was ziek geworden, met drie, een zoon met een kameraad van hem en een meisje ook die meeging die geïnteresseerd was. En ze komen toe in Italië, zeggen ze: “Ja, kom voor de goedkoop ...” en ook voor een beetje, om bijeen te zijn, want Italië is toch ook geen land voor, huren ze dus in een hotel, geen luxe, proper en al, maar huren ze één kamer voor, met drie dus slapen ze op dezelfde kamer, dus waren ze bijeen. En ze zijn daar dus de eerste dag, maar d’er zat daar een hoogdag tussen en dat was afgesproeken dat ze die week en ik meen dat dat de donderdag een hoogdag was, maar dat ze die week-end een spreekbeurt gingen geven over dat produkt om dat te lanceren in Italië en dat was meer gericht zo naar jongere mensen toe. En in dat hotelletje ‘s avonds, ah ja, ze zitten zij iets te drinken en alles te bespreken hoe dat ze dat gaan doen en al, komt er daar een binnen, dus een jonge gast binnen, maar ze zagen dat ook direct dat dat allez, dat dat zoiets, allez, geen normale was. D’er komen d’er thuns (dan) nog een paar binnen, ‘t komen d’er thuns nog een paar binnen en allez, een beetje geklapt en gedaan, een Italiaander en dat en dat en dat, voor wat zijt ge hier en waar en wat en hoe en zegt hij: “Ah ja, ik weet daarvan, want ik ga daar ook naartoe naar die bespreking, maar kijk,” zegt hij, “ik wil jullie wel tonen waar dat het is en waar dat het allemaal te doen is en waar dat”, allez dat is allemaal goed en wel en zegt hij: “Kijk, ik zal jullie vanavond komen halen, maakt om dat uur dat ge gereed zijt” om zes uur ik zeg nu maar iets of om vijf uur of om zeven uur, “en we rijden daar naartoe en mijn kameraden zijn er ook allemaal en we zullen daar naartoe rijden.” Maar mijn zoon zegt: “Kijk, ik huur toch wel een auto en we zullen achter u rijden.” – “Jamaar,” zegt hij, “dat is niet nodig, ik kom jullie ophalen.” – “Nee,” zegt hij, “Ik huur een auto, want,” zegt hij, “dat loopt dan zo wat uit en morgen moeten we thuns (dan) dat en dat nog, we gaan ons gedrieën achter u rijden.” Dus die gast komt achter hen in dat hotelletje, zij huren een auto, mijn zoon rijdt ermee, dat meisje kruipt bij mijn zoon en die andere jongen, hij (de Italiaan) zegt: “Kom,” zegt hij, “zet gij u bij mij”.II -Ja, die Italiaan?48 -Die Italiaan, dus. Die gast zet hem bij de Italiaan, allez, ze beginnen zij te rijden en te rijden en te rijden en te rijden en te rijden, zegt hij: “Hoever is het?” – “Oh, dat is niet te ver!” zegt hij, “dat is niet te ver”, maar ja, in Zuid-Amerika is het ook niet ver een honderd kilometers, dat is niet ver hé.II -Nee (lacht).48 -Ze rijden en ze rijden en ze rijden en ze rijden en dat werd langsom donkerder en later, zegt hij tegen dat meisje: “Dat is raar hé” zegt hij, “Ik ben lijk niet op mijn gemak”, maar die jongen Koen, in dat geval, zat in die eerste auto, dus hij moest niet zeggen: wij keren weer, want Koen zat in die auto.II -Ah ja, natuurlijk.48 -En ik moet zeggen, zei hij, ik ôt (had) al het gevoel, waarom wilt gij nu persé iemand bij u? Maar allez, direct peinst ge niet ...II -Ah ja, voor te babbelen, dat is normaal hé.48 -Alhoewel die jongen kon niets anders of Nederlands die.II -Ah, dan.48 -Maar allez, als compagnie dus, hé ja. En ze rijden en ze rijden en ze komen op een zekere moment zegt hij waar dat geen enkel huis, we ôn (hadden) al langs bergen gereden, langs bossen gereden en we komen in ene keer, zegt hij, op een vrij open plek en ik zie daar gelijk dat ge zou zeggen, een ommuurde boerderij, een oude boerderij, oude herenboerderij geweest van vroeger jaren en dat was totaal ommuurd en zegt hij we komen daar toe en dat hekken ging open en hij rijdt binnen die gast, die Italiaan en zij rijden natuurlijk achter, direct kijkt hij, zegt hij tegen dat meisje: ”Wij gaan hier kijken”, maar die poort ging direct achter hun al toe, zegt hij:”Kijk, zegt hij, ik ga toch al een keer kijken of dat er hier nog in- of uitgangen zijn”, omdat ze zo precies nattigheid begonnen te voelen. En ze stappen uit en zegt hij: “Allez, kom binnen, kom binnen.” Ze horen zij al wat lawaai binnen en dat was, ze komen zij daar binnen en dat was een soort, ge kunt het geen schuur noemen, maar ge kunt het ook geen living noemen, niet proper, maar ook niet van honderd jaar oud, van te zeggen, echt d’er was daar niets van opvang of niets, maar d’er werd daar dus iets gedronken en ge zag gij dat wel en onmiddellijk ziet hij daar een stuk of vijftien, zestien, zeventien meisjes, jongens, zo allemaal dooreen, achttien, negentien, zestien, ge kunt dat daar moeilijk opplakken hé en d’er is daar een open haard, van vroeger jaren zo en zegt hij: “We komen daar binnen”, zegt hij,”en onmiddellijk krijgen we drank aangeboden”, maar zij ôn (hadden) al gezegd tegen een:”We drinken hier niets, niets, gewoon niets , want we gaan zeggen dat we vandemiddag een beetje van een vergiftiging gehad hebben, dat we dus ontsteld zijn”. Mijn zoon aanvaardt niets, maar Koen in dat geval, die al binnen was, stond er al met iets …48 -Dus Koen stond al met dat glas in zijn handen, maar Bruno vond dat ze lijk geen occasie niet meer kregen van Koen aan te klampen, ze ôn (hadden) tegen Koen al gezegd: “Koen ge moet bij ons blijven”, maar Koen was zo al een klein beetje op dreef, verstaat ge? Hij ôt (had) hij g’heel zeker al een keer gedronken en d’er zo al een wat het zot geschoren en dat was zo en in ene keer zegt hij: “Moeke,” zegt hij, “ge gaat dat niet geloven”, want dat heeft lang geduurd eer dat hij mij dat verteld heeft omdat hij zei: “Moeder ge gaat zeggen dat ik zot ben, maar in ene keer,” zegt hij, “zie ik die haard in brand schieten, volle vuur, zonder dat er daar iemand aan geweest ôt (was).” Zegt hij tegen dat meisje: “d’Er klopt hier iets niet, d’er klopt hier iets niet” en zegt hij: “De ene zat daar op de grond en de andere hing daar op een andere en dat was altijd maar dat ze moesten drinken”, zegt hij, mijn zoon en dat meisje: “Nee, wij gaan het niet uitdrinken, want wij zijn ontsteld.”II -En ze wierden niet gedwongen van te ...(drinken)?48 -Nee, maar altijd wel: “Drink, het zal ermee overgaan, drink, het zal ermee over gaan, want het is wreed goed.” – “Nee,” zegt hij, mijn zoon, “want ik ben een ziekelijke, ik ben ziekelijke. En het zou kunnen gebeuren als ik daarvan drink dat ge hier moogt direct een ambulance vragen en” zegt hij: “Ik laat dat meisje ook niet in plan en Koen ook niet, dat doe ik niet, maar ik ben ziekelijk” zegt hij, “Ik ben een zieke jongen” zegt hij, ziet ge het, “Ik mag dat dus absoluut niet hebben.” Dus maar die dwang stond erop van: ge moet het uitdrinken en op die moment kijkt mijn zoon rond en ziet hij op de muur hier een grote zes staan, ja? En zegt hij, tiens dat is raar hé zegt hij, in één keer valt zijn frank: die palen die we gepasseerd zijn langs de baan, hebt ge er wezen in gehad dat dat ook altijd een zes was die daarop stond? Ja. Ge peinst zo zes, dat is zo de aanleg van het een of het ander, het getal zes. Uiteindelijk zien ze daar een grote zes, zegt hij: “Kijk, ik wil hier weg, ik wil hier absoluut weg, wij moeten hier buiten”, maar Koen ôt (had) dat glas al uitgedronken en Koen was dus totaal van de kaart, die wist dus niet meer van welke parochie dat hij was, maar zegt hij:”We mogen wij Koen hier niet achterlaten”, maar die wilde dus niet meer mee en Koen zei altijd: “Maar laat mij gerust, laat mij gerust,onnozelaars, laat mij gerust. Ik ben ik oud genoeg en ik ben ik wijs genoeg”, maar die ene was er altijd bij, die ene was er altijd rond en bij, ze ôn (hadden) dus geen enkele occasie van te zeggen, hij hield hem bij, hij was er hij aangeplakt eigenlijk, zegt hij tegen hem, tegen die mens:”Ge moet mij buitenlaten, ik word ziek, ik moet een dokter hebben! Ik word gewaar: ik word ziek en als ik een crisis krijg, ben ik capabel voor dingen te doen, ik krijg crisen en ik zou kunnen iemand kapot maken”, mijn zoon (zei dat) verstaat ge het? En die beginnen dus te kijken is dat waar? Of is dat niet waar en die zegt: “Jamaar,” zegt hij, “ik zal ik u naar huis voeren en dat zij hier blijven.” – “Ah nee”, zegt dat meisje, “Ik ga mee, we laten geen zieke achter en Koen moet met ons mee.” Ze zijn daar met veel miserie, met wreed veel miserie buiten geraakt, met echt erop te staan van: “Wij moeten hier buiten, wij moeten hier buiten.” Die deur zelf opengedaan, die zijn naar hun auto gegaan en die ene Italiaan stapt in zijn auto, pakt Koen bij hem en direct weer voorop, ja? Zegt hij:”Ja, dat is hier iets dat niet klopt”, maar ondertussen waren er nog twee ingestapt vanachter in die auto en Koen zat van voor, en die twee zaten vanachter en wonder bij wonder...II -Nog twee Italianen?48 -Nog twee, dus zij waren met drie met één die niet meer wist van welke parochie dat hij was, die in hun auto zat, die ze erin geduwd hadden en zij getweeën reden erachter, zegt hij: “Wat gaan wij hier nu gebeien?”, op een zekere moment vallen Bruno zijn ogen op die auto vanachter, zegt hij: “Tiens, stond dat daar over een beetje op?” Dat weet hij dus niet meer, maar in een keer ziet hij staan 666, vanachter op die auto, drie zessen, zegt hij: “Allez, 666”, maar nooitII -Het teken van.48 -Ja, maar nooit, hij heeft dat ook maar achternaar geweten hé. Ze beginnen te rijden en gelijk dat ze rijden, achter vijf minuten herkent hij vanwaar dat ze kwamen, dus in het begin ôn (hadden) ze ik weet niet hoe ver, laat ons zeggen moe, zegt hij, dat we nu hier vertrokken zijn en dat we naar hier moeten, maar we zijn zo heel die tafel in het begin rondgereden om hier te eindigen. Dus ze zijn dan weer buitengekomen en ze zijn gewoon ...II -De tijd was veel korter die hij hem nu direct weer herkende.48 -Dat was geen tien minuten ver, maar we ôn (hadden) een uur en half gereden in het begin, wat dat die vent met ons van zin was, wat dat hij met ons aan het bekokstoven was, dat weet ik dus allemaal niet, maar zegt hij, “Ik zag dus en ik rijd, hij rijdt in plaats van de baan te volgen die hij moest volgen, rijdt hij een klein stukje af”, maar mijn zoon blijft staan hier en hij begint te toeten en hij stopt. De andere “Ja”? En hij, hij zegt tegen dat meisje: “Luistert, ik ga achter Koen in die auto nu, gij blijft in die auto zitten ge rijdt al daar, naar dat licht, als ge mij niet ziet weerkomen dan rijdt ge onmiddellijk naar de politie. En ge zegt waar dat ik ben, ik ben hier aan paal zoveel”, dat meisje kruipt achter het stuur en mijn zoon stapt uit, want die auto stopt, laat ons zeggen, van hier tot aan die eerste boompjes daar (in de tuin van onze informante. Ze staan ongeveer 20 meter van ons.). Maar dat was dus een busselken, een zijbaantje ja, met allemaal boompjes en takken en struiken, mijn zoon is naar die auto gegaan, hij kreeg hem niet open, hij heeft beginnen snokken en stampen aan die auto, bij zoverre dat ze hem toch open gedaan hebben. Hij heeft er Koen uitgetrokken, uitgetrokken! Die wist niet van welke parochie dat hij was en hij heeft juist gezegd dat de politie verwittigd was. Hij heeft Koen kunnen pakken, ze zijn in hun autootje weer gesprongen en ze zijn voortgereden. Hij stond daar met Koen, die niet meer wist vanwaar dat hij was, ze hebben hem in de auto gelegd al achter, met alle schrik van g’heel de wereld zijn ze voortgereden. Maar het verhaal eindigt nog niet. Ze komen in ‘t hotel en die ene zit daar al, in de hal, hij zit daar al, zegt hij: “Waarom zijt gij schou van mij? Want gij zijt schou van mij!” – “Ik ben niet schou van u!” zegt hij, hij toonde hem dus sterk, “maar,” zegt hij, “ik ben ziek en mijn gezondheid gaat voor alles! En nu gaan wij naar ons bed,” zegt hij, “en nu moet ge ons gerust laten!” Is dat nu iets dat een rol meespeelt, dat weet hij allemaal nog niet, maar in alle geval, dan vallen zijn ogen erop: ze zitten in kamer nummer zes. Ja? Dus zijn sleutel dat hij krijgt is nummer, zes, de sleutel met een plakje aan nummer zes, ze gaan binnen. Koen, met permissie g’heel de nacht, liggen overgeven, aardig, niet meer weten vanwaar dat hij was, dat ze peinsden: moeten wij hier nu een dokter bijhalen of niet? Of wat moeten wij doen? Wat moeten wij hier expliqueren? Dat was thuns (dan) hoogdag geloof ik, of er zat toch een dag tussen. Thuns (dan) beneden weest (gaan) kijken en aan die patron gevraagd: “Oh ja,” zegt hij, “ze zullen hem iets opgegoten hebben, ge moet jullie niet ongerust maken. Dat valt meer voor, dat is een soort ...”, die sneed dat weg, ze hebben g’heel de nacht met Koen bezig gezeten, ze hebben dan, dat begon dan over te gaan en Koen wist dus totaal niet meer wat dat er gebeurd was, hij wist nog dat hij in die auto gestapt was, maar voor van de rest, hij heeft nooit geweten hoe dat hij weer in dat bed lag, in dat hotel. ‘t Is goed, ze zijn daar nog een paar dagen, ze hebben dus op drie of vier verschillende plaatsen die spreekbeurt gegeven, met een auto, met een geleende auto, dus contact gehouden met ons thuis hier ook, maar hij zei natuurlijk niets hé, hij zei niets, hij zei gewoon: “Moeke, ik bel een keer, ik ben daar vanavond, ik ga nu naar die stad vandenavond”, maar hij zei niet waarom. Maar dat was wel zijn gewente van vroeger ook ze (hoor) als hij in Brussel in ‘t school zat, hij heeft nooit op kot gezeten, hij kwam altijd naar huis, maar het was een uur dat hij zou gemankeerd hebben, alhoewel dat hij een geheel eind in de twintig was: “Moeke niet ongerust zijn hé, ik kom binnen twee uur met de trein van die uur ben ik thuis.” – “Ja, jongen, het is goed”, of er trakteerde een of er verjaarde (een), want hij zou dat nooit gedaan hebben, dat is waar ze (hoor) nooit of nooit, maar wij vonden dat dus normaal, maar ik zeg: “Allez, dat is raar hé, hij moet ons toch wreed mankeren dat hij ons zo gemakkelijk toch belt van: Moe ik ga ...” ik zeg nu maar iets, “naar Valencia vandaag.” Of “ik ga naar Rome vandaag” dat waren andere dingen, ik zeg: “Allez!”, dat ôt (had) ik ook al zo’n beetje, ik zeg: “Heere, die moet ons wreed missen”, ik zeg: “Die belt nu alle dagen.” Nu dat was goed, ze gaan ginder door de laatste dag, dus ‘s morgens, ze moeten dus naar de vlieger en ‘s morgens vertrekken ze en ze komen daar ‘s morgens toe, wie zit daar te zeven uren in die hal, die Italiaan!II -Op het vliegveld?48 -Nee, in hun hotel. Zit daar in die hal. Zeggen ze: “Ja, hij zit hier weer hé!”, dus zij wisten onmiddellijk dat er iets iets abnormaals met die vent gaande was hé. Onze Bruno gaat, de hotelkamer is leeg, en hij (de Italiaan) zegt tegen hem: “Ge mankeert nog één letter!” – “Wat bedoelt ge?” zegt hij, Bruno, “Ge mankeert nog één letter,” zegt hij, “maar in ‘t kort hebt ge hem!”, zegt hij: “Allez, wat bedoelt gij daarmee?” – “Dat gaat ge zelf ondervinden,” zegt hij (de Italiaan), “maar in ‘t kort hebt ge hem. Als ge alle drie uw letters hebt, dan zult ge wel zien” zegt hij, “wat dat gij mij aangedaan hebt!” – “Ik?” zegt hij, (U aangedaan?” zegt hij, “Wat heb ik u aangedaan?” – “Ge moest gebleven hebben waar dat ik u gebracht heb” zei hij, “En ik zal u blijven achtervolgen!” zei hij tegen hem, “En uw derde letter,” zegt hij, “is in ‘t kort, heel in ‘t kort!” Dan wist Bruno nog niet wat dat er gaande was hé, hij wist dat niet hé. Ze pakken dus afscheid, hij geeft zijn sleutel aan de mens, hij geeft hem af, ze rijden voort, ze komen op het vliegveld, wie staat er daar? Die! Hoe is het mogelijk, hij zegt: “Moe, ik durf het bijkans niet vertellen, want ge gaat zeggen dat ik begin sterretjes te zien, of dat ik ook van dienen dinges (drank) gedronken heb.” Dat is dus goed, ze komen naar huis, eerst vertelt hij niets, maar hij komt thuis of ge het gelooft of niet, maar dat heb ik nu voor mijn eigen ogen gezien, Béréniceke (Inf.46) heeft het ook nog gezien, hij doet zijn valies open, hij doet dus zijn valies open, wat ligt er vanboven, vanbinnen in zijn valies die op slot is? Zijn sleutel van die kamer met die zes aan! II -Ja. En hij heeft hem afgegeven?48 -En hij heeft hem afgegeven.II -Hoe is dat mogelijk?48 -Zegt hij, en ik bekijk hem, ...II -En wat heeft hij daar thuns (dan) mee gedaan?48 -Het verhaal komt nog! Hij bekijkt hem en hij pakt die sleutel en hij moffelt dat gelijk weg, “Ah,” ik zeg: “Bruno scheelt er iets?” – “Oh, neen, neen” zegt hij, “Nee, nee.” Maar dan natuurlijk, dat werkte op hem hé. En zo een paar uur daarachter zegt hij: “Ah, ik heb die sleutel nu mee van het hotel!” – “Hoe?” zeg ik, “Ge hebt die sleutel mee van het hotel?” – “Van mijn kamer” - ik zeg: “Hebt ge dat niet afgegeven?” – “Ah, bah ja’k” zegt hij, ik zeg: “Ge hebt gij dat in uw valies gestoken, gij zijt toch wel één!” – “ ‘k En doe moeder, ik heb hem afgegeven!”, ik zeg: “Bruno!” ik zeg: “Ge hebt hem afgegeven en hij zit in uw valies! Begint gij nu te missen of wat doet gij nu?”, zegt hij, “Kijk,” zegt hij, “Ik moet jullie toch iets vertellen” en hij begint aan g’heel dat verhaal te vertellen. Op die moment komt hier iemand binnen iemand die dat vroeger ook gestudeerd heeft z’n dingen allemaal en dat mens, “Jamaar,” zegt ze, “Dat is 666, het teken van de Duivel”, zegt ze: “Mannetje, ge zijt met de duivel op baan geweest” zegt ze. En zegt ze: “Uw zes van uw kamer en uw zes van uw sleutel en in ‘t kort uw ander zes ..” – “Ocheere,” zegt hij, “het is naaste week mijn verjaardag de zesde. Hoe wist die vent dat? Hoe wist hij dat?”, ik zeg dat tegen Béréniceken en ze zegt: “We gaan voor de zesde bij de paters gaan en we gaan die sleutel meepakken”, maar die vrouw die dat ook bestudeerd heeft vroeger jaren, want dat mens is nu ook in de vijftig jaar, die zegt tegen mij, of tegen mijn man: “Ga met die sleutel, gaat ermee in de kouters gelijk waar dat ge er dus niemand geen kwaad mee kunt doen, aan een beek of aan om het even wat ginder vanachter,” zegt ze , “giet daar een wat nafte op en verbrandt die sleutel”, maar daar was daar geen branden aan, mijn man heeft er nafte weesten opgieten met mijn zoon, ze hebben dat op een avond ginder weesten verbranden, maar die sleutel wilde of wilde niet branden, dat brandde dus niet. En Béréniceke zegt: “Kom we gaan met Bruno en met die sleutel gaan we bij de paters te rijden.”II -In Gent?48 -In Dendermonde. We zijn naar Dendermonde gereden, wij hebben ons verhaal daar gedaan, de pater heeft ons gezegend, hij heeft de sleutel gepakt, “Kom geef hem mij” heeft hij gezegd. Wat heeft hij ermee gedaan? Dat is een vraagteken. Wij waren de sleutel kwijt, wij hebben met alle schoute (angst) de zesde februari afgewacht, want ja, II -En d’er was niets?48 -En d’er is dus godzijdank niets niet meer gebeurd. Maar ik zou, allez ja, ik durf het zo gelijk abij (bijna) niet zeggen, ‘t is gelijk of dat hem dat nog altijd achtervolgd.II -Nu nog, hij peinst er nog op?48 -Ik ga niet zeggen dat hij erop peinst, maar ...46 -Tegenslag!48 -Alle tegenslagen, komt er iets uit de lucht ...46 - ‘t Is voor Bruno.48 - ‘t Is raar, maar waar.46 -En die vrouwen ôn (hadden) allemaal een teken op hé. Dat weet ge?48 -En die vrouwen hadden allemaal een zes in hun kaak.46 -In een driehoek hé.48 -En dat stond in een driehoek. Die d’er zaten hé.46 -In dat huis.48 -Die waren dus getekend met een driehoek, gesneden dus hé, met een zes in.I -Gesneden!?48 -Ja, ja, ja, ja! Ingekerfd hé, gekerfd, gelijk dat gij getatoeëerd zou zijn of ‘t een of ‘t ander, dat kan een tatoeage geweest zijn ook of het een of het ander hé, dat weet ik niet.II -Of gebrand. Lijk dat ze een beest merken.48 -Of verbrand hé. Dus die ôn (hadden) allemaal een zes in. Ik mag niet zeggen dat dat daar niet meer af kon, dat weet ik niet, maar Bruno zei: “Voor mij, moeder, was dat ingekerfd. Getatoeeerd of ingebrand.” Die ôn (hadden) dus allemaal een driehoek met een zes.II -En waren ‘t schone? Dat zal wel.48 -Dat zal wel hé, wat waren ze dus van zin? Waarschijnlijk ook dat meisje die bij hun was daar te houden, waarschijnlijk hé.II -En zij hun getweeën misschien ook.46 -Voor dat hier thuns (dan) later ook te brengen.48 -Of dat misschien hun misschien mee te geven en dat hier verder uit te breiden hé.II -Dat zij hier begonnen, ja, ja.48 -Dat weet ik dus allemaal niet, dat zijn vraagtekens hé, maar dat is mijn zoon dus echt tegengekomen. Dat is ja, 666 dat is het getal van de duivel zeggen ze altijd, heeft dat met hekserij te maken of wat, ik weet dat allemaal niet.I -Dat heeft met Kabbala te maken, denk ik. Hij zou misschien eens, heeft hij daar al van gehoord Kabbala? D’er zijn daar, dat is een boek, een mystiek boek en dat gaat over, dat is eigenlijk zo een afsplitsing van het Joodse geloof of zoiets, maar heel mystiek en dat is een hele getallensymboliek. En ik weet niet, onze prof heeft ooit eens gezegd, die van Brussel, van de Middeleeuwen, dat drie het getal van de Godheid was en 1 was de man en twee was de vrouw ...II -Maar dat dingetje, d’er was zo’n dingetje aan die sleutel, zo’n leren dingetje of iets?48 -Dat was gelijk dat hé, gelijk dat ge zou zeggen dus gelijk dat (informante toont eigen sleutelbos) hé, kijk dat is het handvatje en daar hing er een plakje, maar dat handvatje was ook in ijzer of in een soort metaal plastiek, ik weet het zelf niet, maar dat brandde niet ze (hoor) dat brandde dus niet.(Ik vertelde wat ik over Kabbala hoorde tijdens de lessen Middeleeuwse literatuur in de K.U.B., de opname werd gestopt.)48 -Allez, alles zo, veel dingen dat hij zegt: “Hoe is dat nu toch mogelijk? Allez, ‘t is ik weer”, ziet ge het is zo, zo’n dingen allemaal hé.II -En die andere die dat meegemaakt hebben, heeft hij daar nog contact mee met dat meisje en die jongen?48 -Ja, want hij is er uiteindelijk mee getrouwd met dat meisje. ‘T is van daaruit ook dat ge zegt (aarzelt)I -Dat ze een band kweken doordat ze dat samen meegemaakt hebben?48 -Voilà!II -En die Koen daar?48 -Die Koen die zien we weinig of niet meer, hij heeft er zo echt geen contact niet meer mee om om, nee, nee, maar ik moet eerlijk zeggen hij heeft ook al een paar keer verkeerd en dat is ook zo altijd afgesprongen en zo...46 -Ja, hij kan precies zijn gedacht niet maken.II -Bij die Koen? Dat kan toeval zijn hé.48 -Ja, allez, ja, dat kan nu toeval zijn, dat weet ge allemaal niet hé.46 -Ja, jamaar ja, 48 -Jamaar ge peinst dat hé.II -Ik ken ook iemand die er zijn gedacht niet kon van maken.I -Ofwel kan dat ook zijn omdat dat uw zoon blijft achtervolgen zo, dat hem dat beïnvloed dat hij gelijk ze zeggen: ge hebt mensen die het ongeluk aantrekken.48 -Aantrekken, ja.46 -Ja, we gaan nog eens bij de paters moeten gaan.I -Of doordat ge er u aan verwacht, dat het ook gebeurt, zodanig zitten denken: het gaat gebeuren dat op den duur wacht ge fleus (bijna) totdat het gebeurt, dat het uitkomt hé.
Onderwerp
SINSAG 0933 - Begegnung mit dem Teufel, welcher verschiedene Gestalten annimmt.   
Beschrijving
B., een man die voor vertaler-tolk had gestudeerd, moest tijdens de winter met twee collega’s naar Italië om een lezing te geven. De twee mannen en het meisje sliepen in één hotelkamer. Toen de drie in hun hotel iets zaten te drinken, kwam daar een Italiaan binnen, die een gesprek met hen begon. De Italiaan zei dat hij ook naar die lezing ging en stelde voor om er de volgende dag samen naartoe te rijden. B. stond er echter op om zelf een auto te huren en stelde voor dat hij achter de Italiaan aan zou rijden. De volgende dag vertrok B. met zijn vrouwelijke collega. K., zijn mannelijke collega, stapte in de auto van de Italiaan, die voorop reed. De Italiaan bracht het drietal naar een oude boerderij, waar drank werd geschonken. De vrouwen die daar aanwezig waren, hadden allemaal een driehoek die in hun wang was gekerfd. In de driehoek stond een zes. B. en het meisje vertrouwden de zaak niet helemaal en besloten niets te drinken. K. had echter al gedronken, waardoor hij volledig van de kaart was. In de boerderij zag B. overal het cijfer ‘6’ staan. B. en het meisje wilden de plaats zo snel mogelijk verlaten, maar ze hadden de grootste moeite hun collega te overtuigen. Uiteindelijk reed de Italiaan met K. terug naar het hotel, gevolgd door de auto waarin B. met het meisje zat. Onderweg zag B. tot zijn grote ontsteltenis dat de Italiaan reed met een wagen die als nummerplaat ‘666’ had. Toen de Italiaan een zijweggetje nam en bij een bosje stopte, begon B. te claxonneren. Hij sprak tot het meisje: “Ga jij aan het stuur zitten. Ik stap uit en ga K. uit de auto van die Italiaan halen. Als ik niet terugkom, moet je onmiddellijk naar de politie gaan”. Aanvankelijk kreeg B. het portier van de auto van de Italiaan niet open, maar na veel geschop en geroep kon hij zijn collega uit de auto sleuren en naar de huurwagen brengen. Toen de drie in hun hotel kwamen, stelden ze tot hun grote verbazing vast dat de Italiaan daar al op hen zat te wachten. Hij vroeg hen: “Waarom zijn jullie bang voor mij?” B. wimpelde de Italiaan af en vroeg de sleutel van de kamer. De drie hadden kamer 6 gekregen. K. moest de hele nacht overgeven. De volgende dagen waren gevuld met professionele verplichtingen. Op de laatste dag moesten de drie ’s ochtends naar de luchthaven. Die dag zat de Italiaan ’s morgens om zeven uur alweer in hun hotel te wachten. De drie gaven de sleutel van hun kamer af. De Italiaan sprak tot B.: “Je hebt nog één letter te weinig, maar die zal spoedig komen en dan zal je weten wat je mij hebt aangedaan”. De drie vertrokken weer naar België. Toen B. thuiskwam en het slot van zijn koffer losmaakte, was hij stomverbaasd. Bovenop zijn kleren lag de sleutel van de hotelkamer, die hij die ochtend had afgegeven. B. vertelde alles aan zijn ouders. Een vriend des huizes, die het verhaal ook had gehoord, zei: “666 is het teken van de duivel. Je hebt al twee zessen; die van je kamer en die van je sleutel”. De volgende week verjaarde B. en zijn verjaardag viel op de zesde van de maand. Vóór die dag gingen de mensen met de sleutel naar een weide. Ze goten benzine op de sleutel en probeerden hem te verbranden, maar dat lukte niet. Daarna gingen de mensen met de sleutel naar de paters van Dendermonde. Een pater aanhoorde het hele verhaal en nam dan de sleutel van die mensen aan. Op 6 februari, de verjaardag van B., gebeurde er gelukkig niets vreemds.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
3.1 Duivels
oost-vlaams (groot-zottegem)
48P
Omstreeks 1992
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Dendermonde (paters van)   
Italiaan   
paters van Dendermonde   
Naam Locatie in Tekst
Zottegem   
Plaats van Handelen
Dendermonde   
Italië   

