Hoofdtekst
Beschrijving
Een jongen ging ‘s nachts met zijn vader op frettenjacht. De zoon had gehoord dat bij het kapelletje achter de stroopfabriek altijd een grote hond kwam. Op een nacht zag de man die hond daar liggen in de maneschijn. De man wilde met zijn schop naar het dier slaan, maar zijn vader verbood het hem. De vader stuurde zijn drie honden naar het beest, maar geen enkele van de honden durfde in de buurt van de angstaanjagende verschijning kopen. Toen de man een schop sneeuw op de grote hond legde, bewoog die niet. Wat verderop sprak de vader tot zijn zoon: “Als je die hond had geslagen, dan zou hij in een man zijn veranderd. Het was een weerwolf.
Een jongen die zijn vriendin in Duras ging opzoeken, werd op zijn weg naar Booienhoven begeleid door een hond. In Booienhoven joeg de man de hond vóór zich over een bruggetje. Vlakbij Duras verdween de hond in het bos. Misschien was het een weerwolf.
Een jongen die zijn vriendin in Duras ging opzoeken, werd op zijn weg naar Booienhoven begeleid door een hond. In Booienhoven joeg de man de hond vóór zich over een bruggetje. Vlakbij Duras verdween de hond in het bos. Misschien was het een weerwolf.
Bron
D. Herbots, Leuven, 1974
Commentaar
1.6 Weerwolven
brabants (oosten)
20A
Vóór WOI
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zoutleeuw   
Plaats van Handelen
Duras   
Booienhoven   
