Hoofdtekst
De tovenaar wreekt zich.Hier op Boezel heet er vazleven iënen geweest die da kost tuëveren. De minsen die wisten da en die lieten hem gerust, en hij liet de minsen uëk gerust.Moar op ne kerremis was er hier veel vremd volk en die kenden die natuurlijk nie, en ze moeten zij doar zuë wa mee gelachen hemmen zeker, allei, dien tuëveneir die moakten hem toch zuë koad: “Wacht moar smeirlappen” zei tje, “’k zal ik heuder wel vinnen”. En ’s anderendoags smeinens vonnen ze die twië gasten die da mee dien tuëveneir gelachen houn, ze lagen lonst de weg en over giël heuder lijf woaren ze gebeten van nen hond.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
In Bazel woonde een man die kon toveren. Op een kermis spotten enkele mannen met de tovenaar, die vervolgens zei: “Wacht maar smeerlappen, ik zal jullie wel vinden!” De volgende dag zag men de twee spotters langs de weg liggen. Ze hadden over heel hun lichaam hondenbeten.
Bron
R. Callaert, Leuven, 1969
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (sint-niklaas en omstreken)
182
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Bazel   
Plaats van Handelen
Bazel   
