Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

WACHT0014_0016_3082 - Pastoor verbant geest van het kasteel

Een sage (mondeling), 1968

Hoofdtekst

Maar dat is echt waar geweest, want mijn zoon is daar getrouwd geweest. Dat was de oude Trui W. Maar alleman was arm, daar had niemand niks, wij ook niet. Niemand, juist een 'keintje' brood met siroop op... Ik ben vierentachtig jaar, maar Trui was nog veel ouder als ik, maar dat heb ik die dikwijls horen zeggen, maar dat was een meisje van zeventien jaar en die woonde hier op het kasteel waar J. woont. Maar daar spookte het en daar heeft het lang geheten dat het daar spookte maar 's avonds ... die moest haar kamer vanbinnen sluiten als het meisje slapen ging en daar kleedde ze haar uit. Maar geen ene morgen vond het meisje iets van zijn kleren. Het vond niks! En dat had al een dag geduurd en het moest bellen maar dan kwam de madam, die kon de deur ook opendoen en vragen wat het gezien had... 'Ik heb niks gezien, madam. Maar haalt gij mijn kleren weg of de heer, dat weet ik niet, maar komt mijn kleren iemand halen.' 'Ik doe dat niet' zei madam, 'en de heer ook niet, daar ben ik zeker van, maar ze zeggen wel dat hier 's nachts een geest komt, maar daar moet ge niet bang voor zijn, dat doet u niks en ons doet het ook niks.' Maar dat bleef duren, wor. De oude Trui zaliger, die ging thuis en die ging dat tegen haar moeder zeggen dat ze daar niet bleef. 'Hebt ge uw werk niet goed gedaan?' zei ze - mij zelf honderd keren verteld - 'hebt ge uw werk niet goed gedaan of hebt ge ruzie gehad?' 'Neen, want ze zijn zo goed voor mij en ik krijg van alles', zei Trui zaliger, wor. 'Maar daar spookt het en ik durf daar niet blijven en ik ga ook niet mee terug.' Toen zei Trui zaliger, wor, het meisje zijn moeder 'Wij zullen gauw het werk doen en ik ga met u mee terug naar madam toe en ik zal zeggen hoe het is en dan brengen we uw kleren maar mee.' En toen sprak die madam zo goed dat het meisje maar moest blijven maar ze gingen raad zoeken, hetzelfde wat het mocht zijn, om het niet meer te spoken op het kasteel. Toen waren ze te Hasselt bij een van de bruine paters gegaan... honderd jaar geleden, wor! En die bruine pater kwam en die 'leesde' daar en die 'beedde' en het spook kwam voor hem liggen op zijn knieën... En toen vroeg de bruine pater: 'Gaat ge mee met mij, dan zijn die mensen hier gerust en waar ge komt, ge krijgt voor zolang als ge leeft.' 'Neen, ik ga niet met u mee'. 'Maar met wie gaat ge dan mee?' 'Met mijnheer pastoor C. van Diepenbeek, die nu de mis doet.' - ik heb hem niet meer gekend -. En toen ging die bruine pater die pastoor roepen... en die 'leesde' en die 'beedde' weer tot het spook ook voor hem kwam en toen vroeg die: 'Ik heb alles gedaan wat ik kon en dan is dat kasteel en de mensen van alles verlost. Ik moet niet vragen waarvoor dat gij komt maar als ge hier maar terugblijft, gij zijt verlost door mijn gebed.' 'Wat ik hier gedaan heb, ja?' En toen ging het mee en toen, die pater en die oude pastoor die gingen daar... - en toen was daar nog niks, wor, de Stiemer maar geen kanaal. Hoe heette hij weer? Bèr Put. Daar zijn sinds nog wel drie, vier Bèr Putten geweest, maar die die was kloek en die had voor niks geen bang en dat wist de pastoor, wor. De kloekste mens, die daar was, die gingen ze roepen en die kwam daar en het spook lag daar nog en toen ging die pastoor uit 't dorp die ketting in zijn hand en met een ding aan om het spook om zijn nek te doen. En toen zei die: 'Neem nu hier dat arm schepsel hier maar mee.' 'Ik ga mee' zei de pastoor, 'en ik zal stil mijn gebed doen onderweg. Gij moet niks zeggen en als daar iemand tegenkomt die iets zou zeggen... NIET antwoorden, NIET omkijken, zei de pastoor, wor, maar altijd doorgaan en ge houdt de ketting maar vast, maar ge moet niet 'roefen' of trekken. 'Dat is goed' zei die Bèr Put, 'dat doe ik.' 'En zo gauw als ge moet een weg inslaan, dan zal ik het u zeggen.' En toen ze daar aan het kasteel kwamen van de baron, toen zei de pastoor dat hij moest inleiden en daar stond zo'n heel dikke eik en daar sloeg die pastoor een kram in en daar legden ze het spook vast. Daar is niks niet meer te zien als de kram die steekt in de boom, maar op het kasteel heeft het zeleven niet meer gespookt. Milleke zaliger, die is nu pas zeven jaar dood, die hebt ge toch goed gekend, wor? Awel,en die heeft zo dikwijls gezegd: 'Pieter, kom toch ook eens mee, wij wandelen maar ik ga u nog de kram wijzen.' De boom is omgezaagd 'krèk' boven de kram, maar de kram steekt nog altijd. 'Ja, kom maar mee kijken, Pieter, als ge meent dat het flauwe kal is, dè.'

Beschrijving

Trui W. werkte op het kasteel waar J. later is komen wonen. Omdat Truis kleren elke ochtend verdwenen waren, vertelde de kasteelvrouw aan het meisje dat er een geest in het kasteel huisde. Daarop ging Trui naar huis en vertelde aan haar moeder dat ze niet in het kasteel wilde blijven werken omdat het er spookte. De moeder ging met Trui mee terug naar het kasteel om eens over de zaak te praten. Uiteindelijk heeft men een bruine pater uit Hasselt laten komen om het kasteel te overlezen. Nadat de pater een hele tijd had gebeden, kwam het spook geknield voor hem zitten. Daarop vroeg de geestelijke aan het spook: "Wel, ga je met mij mee? Dan hebben de mensen hier weer rust. Daarop antwoordde de geest dat hij alleen wilde meegaan met pastoor C. van Diepenbeek. Toen pastoor C. kwam, wilde het spook echter ook niet meegaan. De pastoor liet Bèr P. halen, een man die bekend was om zijn dapperheid. Bèr P. leidde het spook met een ketting naar een eikenboom, zodat de pastoor het spook kon verbannen. Sindsdien spookte het niet meer in het kasteel.

Bron

W. Achten, Leuven, 1971

Commentaar

1.4 Luchtgeesten
midden-limburgs
d
Honderd jaar geleden
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Bèr P.    Bèr P.   

Trui W.    Trui W.   

bruine paters (Hasselt)    bruine paters (Hasselt)   

Naam Locatie in Tekst

Diepenbeek    Diepenbeek   

Plaats van Handelen

Diepenbeek    Diepenbeek   

Hasselt    Hasselt