Hoofdtekst
In de geburen ’t paard zijn mane was gevlochten. Diëne mens ging bij de paters en de pater vroeg hoe dat er dikwijls bezoek kwam. “Nee, alleen Dulle die om haar melk komt alle dagen.” “Awel, zei de pater, morgen en zal ze niet binnenkomen.” De pater hing nep aasnagel op de deure, ne goeien, want ’t er zijn slecht bij die niet gewijd en zijn. Den dag daarop kwam ze weer en ze zettegen haar kanneken op de venster en ze zei dat ze zou weerkomen. Maar zij en kwamp zij niet were, zij en moest geen melk meer hebben!
Beschrijving
Een man vaststelde dat de manen van zijn paard altijd werden gevlochten, ging naar de paters. Een pater vroeg aan de man of er soms iemand bij hem op bezoek kwam, waarop de man vertelde dat er iedere dag een vrouw melk kwam halen. De pater vervolgde: “Morgen zal die vrouw niet binnenkomen. Hier is een paasnagel om aan je deur te hangen”. De volgende dag zette de vrouw haar kannetje op de vensterbank en zei dat ze nog wel zou terugkomen om haar melk te halen. De vrouw is echter nooit meer teruggekeerd.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (denderstreek)
492
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Voorde   
