Hoofdtekst
'Ne jong gong met zijn liefste, en het scheen dat dat 'ne weerwolf was. Maar die had dat vrouwmens toch wel niet graag lastig gevallen. 'Ik ga effe een commissie doen', zei hij, 'ga maar stillekes door.' Zo'ne weerwolf dat was een soort hond. 'Als daar soms 'ne hond op u afkomt, daar hebt ge'ne rooie maalplak; als hij bij u komt, gooit hem die maar voor. Hij pakte die en verscheurde hem, en toen gong den hond ook weer. 'Ne minuut of tien later kwam hij weer bij haar. 'Wat zijt ge lang gebleven', zei het wicht. 'Och' zei hij 'dat heeft toch niks te betekenen.' En hij had de rooi draden van de maalplak nog tussen zijn tanden.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongeman ging met zijn vriendin wandelen. De jongeman moest echter op geregelde tijdstippen als weerwolf rondlopen, en daarom zei hij tegen het meisje: "Ik moet even een boodschap doen. Als er een hond op je af zou komen, gooi dan deze rode zakdoek naar zijn muil; dan kan hij je niets doen." Even later kwam er inderdaad een grote hond naar het meisje gelopen. Ze gooide haar zakdoek naar het beest, die de stof helemaal verscheurde. Toen de jongeman tien minuten later terugkwam, zei het meisje: "Wat ben je toch lang weggebleven!" De jongen antwoordde: "Och, dat heeft toch niets te betekenen!", maar hij had de rode draden van de zakdoek nog tussen zijn tanden.
Bron
R. Celis, Leuven, 1954
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (bree en omstreken)
Herkend aan vezels van een zakdoek: variant (Opoeteren)
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Opoeteren   
