Hoofdtekst
Da was nen boer en dat er bij dienen boer nen knecht woondige en den dienen moest iederen zaterdagavond om zijn vers hende naar Duitsland. En diene koeiwachtre had al dikkels gevraagd aan diene schapre om mee te gaan naar Duitsland. "Ewel," zegt de schaper, "ge moogt nu ne keer gaan mee mij." Zo dien avond danze schiktigen voort te gaan komen ze toope (samen) en onze op ’t hof komen zegt de schaper: "Zet gij u op de die, ‘k zalle ‘k ik mij op de die hier zetten. En omme onderweg zijn ge kunt zien daje geen woord spreekt." Zo die geten gingen aan ’t vluchten en lopen zo zere of danze kosten, wel zeerder dan twee treins. Zo diene jongen en kost da niet meer gesnikken (uitstaan) en hij zegt: "Gedomme dat affesseert (gaat vooruit) hé schapre." En gelijk ot hij da gezeit heeft viel hij op de grond en de schapre was voort.
Beschrijving
Bij een boer werkte een Duitse Schaper die iedere zaterdagavond naar Duitsland vloog om een schoon hemd te halen. Op een dag mocht de knecht met de schaapherder meegaan. Op twee dieren vlogen de schaapherder en de knecht weg. Onderweg mocht de knecht geen woord zeggen. Toen ze een tijdje onderweg waren, zei de knecht echter: "Verdomme, dat gaat vooruit hè, schaapherder!" Deze woorden waren nog maar net uitgesproken of de knecht viel op de grond.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
387
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Duitse schaper   
Naam Locatie in Tekst
Oedelem   
