Hoofdtekst
De tovenaar van Tukkes.Mij gruëtvadre da was ne zwingeleir van vlas.Ik heb mijn moedre altijd huëren vertellen dat die van Tukkes dat die kwaad konden doen, dat die konden tuëveren. Een zeker Lena Tukkes had de naam van een tuëveresse te zijn. Op ne kiër kwam iëne van Tukkes bij mij metje binnen en vroeg ne zetel omdat er iemand ziek was bij hem, maar mij metje wou da nie direkt geven en ze zei: “Ik moet dat iëst aan onze Livinus (da was heuren man) gaan vragen.”Ze ging ten naar de zwingelstal want daar was heuren man bezig en as ze weer kwam stond die van Tukkes da met heur aadste kindje op zijnen arm, da kindje was toen nog nie lang geboren. Mij metje die verschoot en hij zei dat ’t schriëde en dat hem ’t daarom maar uit zijn wiegske gepakt had. Nu waren mij metje en mij gruëtvader kwad en ze woun de zetel nie geven. En die van Tukkes was nog nie goed buiten [of] op da wiegske zat vol luizen, en da was amaal zuë proper en zuë schuën geweest, en z’hebben ten die kliëkes en da wiëgsken en al doen verbrannen.Maar da kindje dat hieg nie op (hield niet op) met schriën en ze gingen ze da ten toch maar mee naar den doktoor, maar die wist uëk nie wat da kindjen had. En ten gingen z’er mee naar de paters van Derremonde, die zein dat ’t zou gestorven zijn voor dat ze weer thuis waren, en ’t was waar, da kindje is onderweg gestorven.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Een vlaszwengelaar behoorde tot een familie over wie men vertelde dat ze over bijzondere krachten beschikte. Een vrouw uit die familie werd ervan verdacht een toveres te zijn.
Een vrouw kreeg op een dag bezoek van een man uit die familie, die een zetel kwam vragen omdat er bij hen iemand ziek was. De vrouw zei dat ze dat eerst aan haar man moest gaan vragen en liep naar de stal. Toen ze daar was, zag de vrouw dat de man haar was gevolgd met haar kindje op zijn arm. Daarom werd de vrouw boos en wilde ze geen zetel geven. Na het vertrek van die man, zat het wiegje van het kindje vol luizen. Men heeft de kleren en de wieg van het kind verbrand. Omdat het kindje echter niet ophield met huilen, ging men te rade bij de dokter en later bij de paters van Dendermonde. De paters voorspelden dat het kind zou sterven nog vóór de vrouw thuis zou zijn, en zo gebeurde het ook.
Een vrouw kreeg op een dag bezoek van een man uit die familie, die een zetel kwam vragen omdat er bij hen iemand ziek was. De vrouw zei dat ze dat eerst aan haar man moest gaan vragen en liep naar de stal. Toen ze daar was, zag de vrouw dat de man haar was gevolgd met haar kindje op zijn arm. Daarom werd de vrouw boos en wilde ze geen zetel geven. Na het vertrek van die man, zat het wiegje van het kindje vol luizen. Men heeft de kleren en de wieg van het kind verbrand. Omdat het kindje echter niet ophield met huilen, ging men te rade bij de dokter en later bij de paters van Dendermonde. De paters voorspelden dat het kind zou sterven nog vóór de vrouw thuis zou zijn, en zo gebeurde het ook.
Bron
V. Van Onsem, Leuven, 1967
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (waasland en dendermonde)
235
Grootvader van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Dendermonde (paters van)   
paters van Dendermonde   
Naam Locatie in Tekst
Eksaarde   
Plaats van Handelen
Dendermonde   
