Hoofdtekst
ene joenge was langs de bos no de kermis gegôn; en in het bos zag hem een â vrâ mê pôternosters en zoe; en hem hâ de körf op de grond gesmeite. "Da zult oech beklôge", zei ze; en ’s nachs in ze bed begon hem te grêze; en z’hoerde de kettingen in z’n kômer gôn; den pastoeur kon den duvel ni wegjôge; ene pastoeur van erges anders dee sterker was, heit hem verjôgt; mo de joengen is toch gestörve.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Een jongen die naar de kermis ging, kwam in het bos een oude vrouw tegen die een korf met paternosters bij zich had. Nadat de jongen de korf op de grond had gegooid, zei de vrouw: "Dat zal je je nog beklagen!" Toen de jongen in zijn bed lag, begon hij te huilen omdat hij de hele tijd kettingen hoorde rammelen. De pastoor kon de duivel niet verjagen. Een pastoor uit een ander dorp, die sterker was, heeft de duivel verjaagd. De jongen is echter toch gestorven.
Bron
A. Abeels, Leuven, 1965
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (sint-truiden)
412
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Gelinden   
