Hoofdtekst
Me deien wieder dadde voor d’andre schuw te maken. O ze pitten maakten voor te vissen, ton sprongen we wiedre in de pit o ’t bijkans (bijna) gedaan was voor d’andre toe doen weglopen. En dedé hân ton ook de waterduivel gehoord en widre hân de vis.
Beschrijving
Wanneer men putten had gemaakt om te vissen, sprongen er soms farceurs in de put, zodat de vissers wegliepen en de farceurs de vis voor zichzelf hadden. De vissers geloofden namelijk dat de waterduivel in de put was gesprongen.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
1.1 Watergeesten
west-vlaams (o van houtland)
29
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Waardamme   
