Hoofdtekst
Riesse Verschuere lachdige mee Prot Wille omdat hij geloofdige daje op Alderheiligen nie kunt pensen [pensjagen]. "Ha, ha, al praat", zei hij. En Riesse zeide op dien avond: "Me zullen ne keer gaan." En ze trokken d’erop uit. Prot in zijn panen (fluwelen) onderveste en mee een geweire en kardoessen mee pinnen. Al mee ne keer zien ze een konijn. Riesse schiet maar "Piep" zeg zijn geweire en ’t schot ga niet af. "Slechte kardoesse", zegt Prot. Achter een beetje lag er daar nen papieren zak. Riesse legt aan en "pardaf" op diene papieren zak… ’t geweire gingt af. Een beetje latre ton were nen haze. Riesse legt aan en were "Piep" hé, man. "’t Is goed," zegt Prot, "me zijn d’er van onder". En dat is eerlijk en treffelijk gebeurd.
Onderwerp
SINSAG 0331 - Spuktier kann nicht getroffen (gefangen) werden
  
Beschrijving
Een man lachte met iemand die beweerde dat men op de avond van Allerheiligen niet kon stropen. Om de proef op de som te nemen, besloten de twee mannen op die bewuste avond op jacht te gaan. Toen de mannen een konijn zagen en één van hen naar het dier wilde schieten, werkte het geweer niet. Wat verderop lag een papieren zak op de grond. De man schoot naar de zak, en deze keer werkte zijn geweer wel. Toen even later een haas verscheen, werkte het geweer weer niet.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
190
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Allerheiligen   
Naam Locatie in Tekst
Knesselare   
