Hoofdtekst
Ene uit de gebure moest over het ven. Hij moest do op de rug gaan zitte van een vrouw en die bracht hem over ’t water. Toen veranderde die ineens in een varken en hij zee: "Wat is me da ne sproeng veur een zoeg". Ma die heks zee da hij nie mocht spreke, mor hij zee meer "Wat is me da ne sproeng veur een zoeg". Toen hee die heks hem onderwege op een eilandje late staan en hemme ze dieje ’s mergens mee een schuit (schout) moeten gaan hale.
Beschrijving
Een man die aan de overkant van het ven wilde geraken, moest op de rug van een vrouw gaan zitten. Toen de vrouw plots in een varken veranderde, zei de man: "Wat is me dat voor een zeug!" Daarop maande de heks de man aan te zwijgen. Even later zei de man weer opnieuw: "Wat is me dat voor een zeug!" De man werd door de heks op een eilandje achtergelaten, zodat men hem de volgende ochtend met een bootje moest komen halen.
Bron
M. Vankerkhoven, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
antwerps (grensgebied kempen-hageland)
438
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Meerhout   
