Hoofdtekst
Beschrijving
Een negenjarig jongetje was buitengewoon intelligent en werd door de onderwijzer altijd geprezen. Op een dag had een heks dat jongetje meegenomen naar haar huis. Ze had hem allerlei zaken gegeven, waardoor hij behekst was. Enkele dagen later ontdekte de onderwijzer dat de jongen heel dom was geworden. Op een dag werd de jongen door zijn moeder naar de winkel gestuurd om een nieuwe boterpot te kopen. Omdat de jongen de boterpot erg zwaar vond, zette hij de pot op de grond, bond een koord aan het oor en sleepte de boterpot over de grond naar huis. De moeder van de jongen was erg ontstemd door het gedrag van haar zoon en zei: “Je had de boterpot toch wel op een kar kunnen zetten!” Kort daarop werd de jongen naar de winkel gestuurd voor enkele nieuwe stopnaalden. Toen de jongen een hooikar voorbij zou komen, zag hij een hooikar voorbijkomen en dacht bij zichzelf: “Mijn moeder heeft gezegd dat ik mijn pakje op de kar moet leggen”. Daarop gooide de jongen de stopnaalden in het hooi. Toen de boer bij zijn boerderij kwam, zei de jongen: “Wacht, ik heb mijn naalden in het hooi gegooid en ik moet ze er nog uithalen!” De boer was erg boos omdat hij niet wilde dat zijn dieren per ongeluk een naald zouden inslikken en trok naar de moeder van de jongen om zijn beklag te doen. De moeder moest de hele kar hooi betalen. De moeder gaf haar zoon een flinke uitbrander en zei: “Waarom heb je die naalden niet in je zak gestoken?” Enkele dagen later moest de jongen voor zijn moeder een nieuwe korf gaan kopen om kersen te plukken. De jongen herinnerde zich dat zijn moeder hem de raad had gegeven om de naalden in zijn zak te steken, en besloot hetzelfde te doen met de korf. De jongen sneed de korf in stukken en propte de stukjes in zijn zak. De moeder was weer erg boos op haar zoon en zei: “Je had toch een stok door het oor van de korf kunnen steken om die dan op je schouder te dragen!” Enkele dagen later zond de moeder haar zoon naar een vriendin om te vragen of die enkele werkmeisjes kon missen. De vrouw had immers hulp nodig bij haar werk. De jongen ging de meisjes halen en wilde een stok door hun oor steken om hen te dragen, maar de meisjes verzetten zich en gingen niet mee. De jongen kreeg weer een uitbrander van zijn moeder, die zei: “Je had toch gewoon tegen die meisjes kunnen zeggen dat ze naar hier moesten komen; ze weten immers waar wij wonen”. Kort daarop moest de jongen de slachter gaan halen. Hij moest dan ook het varken dat in de weide stond, meebrengen om geslacht te worden. De jongen ging eerst de slachter roepen en ging vervolgens naar het varken in de weide. De jongen sprak tot het dier: “Varken, ze gaan je slachten. Je moet naar huis komen. In die straat bij die poort moet je binnenkomen. Daar woon ik”. Even later kwam de slachter naar de boerderij, maar het varken kwam natuurlijk niet. De moeder van de jongen was ten einde raad en ging naar de onderwijzer, aan wie ze vertelde dat ze zoveel problemen had met haar zoon. De onderwijzer zond de moeder met de zoon naar de dokter. De arts kon echter niet helpen. Daarna raadde de onderwijzer de vrouw aan om haar zoon te laten overlezen door de paters van Tienen. De paters gaven de moeder heiligdom en wijwater mee. Het heiligdom moest op de kleding van de jongen worden gespeld. Iedereen die bij de jongen in de buurt kwam, moest bovendien met wijwater worden besprenkeld. Toen de jongen op een dag in het huis van de heks wilde binnengaan, kreeg hij zijn voet niet over de drempel. Hij droeg immers heiligdom in zijn kleren. Daarna vertelden de mensen dat die vrouw de jongen had behekst. De jongen kwam niet meer bij de heks en werd daarna weer normaal.
Bron
D. Herbots, Leuven, 1974
Commentaar
6. Sagen - Sprookjes
brabants (oosten)
102B
Oom van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Tienen (paters van)   
paters van Tienen   
Naam Locatie in Tekst
Eliksem   
Plaats van Handelen
Tienen   
