Hoofdtekst
Hie aan Foetske woonde ene, da was Van Grambeer. Om elf ure deed da do zoe lelijk da do bekant genen ene mens nemieje dierf kome. En da dee veul schaai aan dieje herberg. Ma nu kwame er toch eens twee en om elf ure lelijk doen op zolder! Ze ginge mee een keers no bove. Ma die ging elkes keer uit deur den duvel of hemellichame of ‘k weet nie. As ze thuis kwame stond ’t peerd los en de mane ware geslingerd. Da kunde wel denke dat die mense nemieje gaan zien zijn zalle.
Beschrijving
Bij V.G. hoorde men om elf uur 's avonds altijd een hels lawaai op de zolder, waardoor niemand nog in de buurt van het huis durfde te komen. Op een avond gingen twee mannen met een kaars in de hand een kijkje nemen op de zolder. Vreemd genoeg werd de kaars telkens opnieuw gedoofd. Bij hun thuiskomst stelden de mannen vast dat hun paarden waren losgemaakt en dat de manen van de dieren gevlochten waren.
Bron
M. Vankerkhoven, Leuven, 1964
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (grensgebied kempen-hageland)
264
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Kwaadmechelen   
