Hoofdtekst
Heksen jagen paard in een kapel.Der kwamen daar viere-vijf toveressen bijeen, ze gaven malkander d’hand en ze maaktegen gereedschap waar da ze gingen naartoe gaan. En ze gingen zouder ginder naartoe en daar was daar ook nen boer, die ook zijn perd op zijne klaver gestoken hâ. En de was daar een kapelle.En as ’t tien-eleven van den avend was, gink dienen boer om zij perd, maar zijn perd was weg.“Ha, zegt ie tegen zijn wijf, ‘k en vinde kik mijn perd ne meer.”Maar die toveressen hân die kapell’ ieverst opengedaan of opengebroken en da perd daar in gejaagd.En as ’t vier dagen naardien was, was daar ne ganzewachter en ie hoordege daar een perd heunkeren. Zegt ie in zijn eigen: “Zou dat misschien da perd zijn?”En ie gink achter die kapelle en ie hoordege da perd stampen in die kapelle en da perd stond daar. En ze willen hên dat da perd daar in die kapelle geleid was van die toveressen.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Enkele toveressen die een bijeenkomst hielden, stonden hand in hand terwijl ze overlegden waar ze naartoe zouden gaan. Een boer die zijn paard op een klaverweide bij een kapel had gezet, stelde vast dat zijn paard verdwenen was. De toveressen hadden het paard in de kapel gejaagd. Vier dagen later hoorde een ganzenwachter het paard hinniken.
Bron
R. De Geeter, Gent, 1952
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (zuiden)
177
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Hemelveerdegem   
