Hoofdtekst
Mijn grootvader zegt dat het echt gebeurd is op d’hofstee van Charles Ardenoy. ’t Was daar ‘nen boever en dat was in den Adventstijd dat de werewulven ulder rolle speelden: dat waren gasten die ommegingen met den duivel.En op ‘ne zekere nacht dat mijn grootvader ook op de bane was passeerde hij aan een kruispunt, op de grensscheidinge Kaster-Elsegem, - ’t komen daar vier veldwegen t’hope – en mijn grootvader passeerde daar, en hij zag daar lijk iets glinsteren. Hij was ook niet benauwd en hij gaat kort erbij en ommeddekeer, hij koste gene voet niet meer verder zetten, hij mochte al doen wat hij wilde, hij koste gene voet niet meer verzetten! En hij hoorde ’n bezweringe. En dat was den duivel die zei: "Kijk, hier ligt er nu ’n duivelsjong in dat dozeke. En alle dagen gaat ge dat ’n druppel bloed geven en zolange dat ge van uw bloed geeft, zult ge machtig zijn; maar omdat ge niet herkend zoudt worden zal ‘k u ’n teken geven." En hij overhandigde hem iets. En dat was ’n groten pak, en dat was potverdikke ’n vel van ‘ne werewulf! En naderhand koste mijn grootvader zijne weg voortzetten.Enige dagen na datum, hij is bezig op ’t hof met den oven te heten, en zegt ie: "Die houtmijte vertoont hier ’n eigenaardige dikte!" En hij trekt ’n bussel uit en hij ziet dat vel liggen. En hij wiste natuurlijk wat dat dat was en hij wilde ’t verbranden. Maar op dat moment staat de boever daar nevens hem en hij valt op zijn knieën en hij smeekte dat vel te mogen were hebben. En mijn grootvader gaf ’t were en den boever zei: "Hé, ‘k heb nu mijn vel were en ge gaat nooit niet meer kunnen spreken over die zaken!" En zegt mijn grootvader: "’k Was genegen om ’t te vertellen, maar ‘k en koste niet, omdat hij were machtiger was of ik!"Maar naderhand dien boever wilde verkeren met ’n tante van mij. Nu, en mijn grootvader was altijd geneigd heur dat te zeggen hé, dat hij ommeging met den duivel, maar hij koste niet: ’t lag altijd op zijn tonge, maar ’t ging niet!En ommeddekeer, hij kreeg ‘nen inval! Hij had daar ’n jachtgewere hangen en hij zegt: "Hij komt hij alle navonds met dat kind vrijen, ‘k ga ‘ne keer naar de paster gaan!"En hij doet aan de paster zijn geval uiteen en hij zegt tegen de paster: "Zoudt ge twee kartoesjen willen wijden, dat is toen gewijd poer. En ‘k ga daarmee naar hem schieten. En met gewijd te zijn, zal de kracht van God erin zitten, en dat moet toch de bovenhand hebben hé!" En hij content geliljk ’n luis, hij trekt met zijn twee kartoesjen naar huis.Maar vanaf dat moment kwam die boever niet meer vrijen. En achter ’n paar maanden, hij ziet daar kraaien op ’t land zitten, en hij pakt zijn gewere en hij schiet ze nere en zijn twee kartoesjen waren weg. En op dezelfden dag ging dienen boever were naar zijn lief."Ewel", zei mijn grootvader, "’t is toch daaraan te zien dat hij met den duivel ommeging hé!"
Beschrijving
Op een boerderij werkte een paardenknecht die omging met de duivel en die daarom als weerwolf moest rondlopen. Toen de boer tijdens de Advent 's nachts op pad was, zag hij bij een kruispunt op de grens van Kaster en Elsegem iets glinsteren. De man kwam dichterbij en kon plots geen voet meer verzetten. Hij hoorde een duivel zeggen: "Kijk, hier in dat doosje ligt nu een duivelsjong. Iedere dag moet je dat een druppel bloed geven. Zolang je dat doet zal je over bijzondere krachten beschikken. Opdat je niet herkend zou worden, zal ik je iets geven". De duivel gaf iemand een vel van een weerwolf.
Toen die man enkele dagen later de oven wilde aanmaken, vond hij dat weerwolvenvel in de houtmijt. Toen de man dat vel wilde verbranden, stond de paardenknecht plots naast hem. De knecht smeekte de boer op zijn knieën om het vel terug te geven. De boer deed het.
Een tijdje later werd de knecht verliefd op het nichtje van de boer. De boer had al vaak geprobeerd zijn nichtje in te lichten over het feit dat de knecht een weerwolf was, maar hij kreeg de woorden niet over zijn lippen. De weerwolf was immers machtiger dan hij.
Ten einde raad ging de boer naar de pastoor om twee kogels uit zijn jachtgeweer te laten wijden. De boer was vastbesloten om de knecht neer te schieten wanneer hij naar zijn vriendin ging. Sinds die dag ging de knecht echter niet meer op bezoek bij zijn vriendin. Enkele maanden later schoot de boer met de gewijde kogels naar een paar kraaien die op zijn veld zaten. Diezelfde dag ging de knecht opnieuw naar zijn vriendin.
Toen die man enkele dagen later de oven wilde aanmaken, vond hij dat weerwolvenvel in de houtmijt. Toen de man dat vel wilde verbranden, stond de paardenknecht plots naast hem. De knecht smeekte de boer op zijn knieën om het vel terug te geven. De boer deed het.
Een tijdje later werd de knecht verliefd op het nichtje van de boer. De boer had al vaak geprobeerd zijn nichtje in te lichten over het feit dat de knecht een weerwolf was, maar hij kreeg de woorden niet over zijn lippen. De weerwolf was immers machtiger dan hij.
Ten einde raad ging de boer naar de pastoor om twee kogels uit zijn jachtgeweer te laten wijden. De boer was vastbesloten om de knecht neer te schieten wanneer hij naar zijn vriendin ging. Sinds die dag ging de knecht echter niet meer op bezoek bij zijn vriendin. Enkele maanden later schoot de boer met de gewijde kogels naar een paar kraaien die op zijn veld zaten. Diezelfde dag ging de knecht opnieuw naar zijn vriendin.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.6 Weerwolven
west-vlaams (tussen schelde en leie)
537
Grootvader van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Advent   
Naam Locatie in Tekst
Kaster   
