Hoofdtekst
Der was ‘n’ keer ‘ne Frans-zonder-vreze en hij was soldaat geweest in Frankrijk, maar ’t was eigenlijk ‘nen Belg. En als hij gedaan had met den troep, hij kwam were op Belgisch grondgebied in ‘ne café: "Het Katje".En hij was ’n beetje zat en hij zei dat ie van niets meer benauwd was en van niemand vervaard sedert dat ie soldaat geweest was."Ja", zegt dene vent uit ’t Katje, "’t staat daar een boerenhof en dat hof is niet beweund, en ’t kan niet beweund zijn omdat ’t daar te stijf spookt. Zoudt ge daar durven overnachten?" zeid’ie. "Ik wille daar overnachten", zei Frans-zonder-vreze, "en ‘k zalle daar vernachten!" zeid’ie, "en we gaan wedden!" zeid’ie. En ze wedden.Ze gingen ‘ne keer gaan kijken binst den dag, inlichtingen gaan zoeken en zien hoe dat ’t gelegen was, enz… En ze keerden were en ze dronken nog een glas in ’t Katje.En als ’t avond was, Frans ging er naartoe met alle toebehoorten om pannekoeken te bakken nietwaar: hij had bloem mee en gist. En hij begoste hij te bakken op den heerd, en dat was ‘nen open heerd hé. En hij begoste pannekoeken te bakken. En alle keer dat die pannekoeken half gebakken was, hij stekte ze los met zijn palette en hij smeet ze omhoge en hij vangde ze were, en ze was gedraaid nietwaar.Als hij zo een ure bezig was, zegt hij: "Dat is hier toch nog allemale kalm. Als ’t alzo blijft, ’t zal hier zeker niet gebeuren hé".Maar als dat alzo twintig minuten vóór den twaalven was, was er daar een vreemd gerucht: als hij zijne koeke in de lucht smeet, de kamerdeure en de kelderdeure begosten te ruttelen en te doen."Frans", zegt hij tegen zijn eigen zelven, "niet zot zijn… ‘k ben ‘k ik hier om zot te zijn?"Hij ging ‘ne keer gaan kijken naar de kamerdeure en de kelderdeure, maar hij zag hem daar niet, niet. En hij bakte dus voort.En als d’ander pannekoeke genoeg was al den enen kant, hij stak zijn palette eronder, hij smeet ze omhoge en vangde ze were. Ommeddekeer, de zolderdeure begint te ruttelen en hij gaat kijken: hij trekt ze open, maar hij ziet niets. Hij gaat were naar zijn vier en hij begint were te bakken. Were ’t zelfste: hij laat ze bakken, steekt ze los, smijt ze omhoge en vangt ze were, gedraaid. En ommeddekeer begint den boven zo te donderen en te ronken, allé, dat ’t witsel van de plafond viel. Hij pakt zijn keerse en zijne stok, hij gaat de trap op en hij slaat rond zijn oren met zijne stok. Maar hij zag hij daar niemand hé, hij zag hij daar niet, niet, niet!Hij komt were naar benêen en hij begint nog ‘ne keer te bakken. Hij smeet were zijne pannekoeke omhoge. En lijk dat ze nereviel, ’t viel daar een mensenbeen in zijn panne uit de kave. En hij kijkt alzo naar omhoge: "Gaat ge daar nu beginnen zot zijn?" zegt hij. Hij pakte dat been en smeet het in den hoek. En niet die vuilmaakte in de panne hé!En hij deed voort, smeet de pannekoeke were naar omhoge en … ’t vielen toen drie mensenbenen in zijn panne. En hij smeet die benen in den hoek bij d’andere.Hij doet voort, hij stekt de koeke were los smijt ze omhoge en … al de beentjes van ’t lijf, al in die panne. Hij begoste lelijk te doen dat hij ging schieten. En al die benen in den hoek hé. Maar niet die vuilmaakte in die panne! En zegt ie: "Wat gaat er nu nog gebeuren…"Hij bakte voort, smeet weer een koeke naar omhoge, vangt ze were en… op zijn panne een mensenhoofd! Hij pakt dat mensenhoofd en hij smijt het ook in den hoek, altegare op ‘nen hoop. En ’t was rond den twaalven, zie dat was ál gebeurd in twintig minuten.Hij bakt voort, stekt de koeke were los, smijt ze omhoge en, al die beentjes stonden ’t een boven ’t ander, heel dat geraamte."Allé, buiten!" zei hij. En dat geraamte schudde zijn hoofd van neen. En zegt hij: "Als ge niet weg gaat, ‘k sla!" En hij sloeg met een stok. En waar dat hij er op sloeg, rechts of links, dat geraamte stond daar en dat bleef staan! Hij sloeg er deure lijk ge zoudt zeggen deur de wind. "Wat moet gij hier hebben?" zei hij tgen dat geraamte. En dat geraamte toonde door "zichten" wat dat hij moeste doen.En dat geraamte toonde drie keren met zijn vingers en wees naar Frans dat hij moeste in de kelder gaan. "Neen", zei Frans, en hij schudde zijn hoofd. En dat geraamte vroeg het nog een tweede keer: en Frans schudde weer "neen". En dat geraamte vroeg dat de derde keer. En zegt Frans: "Als ge vorengaat, ‘k ga mee gaan". En dat geraamte wees nog ‘ne keer met zijn vinger naar de kelderdeure dat Frans de deure moest open doen. Frans zei weer van neen. En ’t geraamte vroeg ‘nen tweede keer. Frans zei weer "neen". En den derden keer dat dat geraamte dat vroeg, zei Frans: "Doet ze zelf open"! En dat geraamte deed ze open. En als ze nu open was, dat geraamte deed teken dat hij moeste in de kelder gaan. Twee keren zei Frans weer van neen. En de derde keer, zegt Frans: "Ga eerst, ‘k ga achter komen". En dat geraamte ging voren. En als ze in de kelder kwamen, hij had een keerse mee hé, zagen ze daar een grote, grote steen, allé, ‘ne steen van zes-zeven-achthonderd kilo, een steen van ‘ne vierkante meter moeten we zeggen, met een grote ring in ’t midden. En dat geraamte gebood aan Frans dat hij moeste diene steen afpakken. En Frans zei: "Ja, ‘k en kan ik die steen niet afpakken hé". Dat geraamte vroeg het hem een tweede keer. En Frans zei nog ‘ne keer dat hij dat niet kon hé, dat het belachtelijk was dat te vragen, dat hij dat niet kon. En den derden keer zei Frans: "Ewel, heft hem zelve op, met al uw macht". En dat geraamte pakte dien ring vast en hij lei die steen aan de kant. En dat geraamte deed weer zichten omdat Frans in die put zou gaan; en Frans zei were van neen. En de tweede keer dat dat geraamte dat vroeg met zichten, zei hij were neen. En den derde keer zei Frans: "Ewel, gaat er zelve in". En dat geraamte ging erin.Het haalde daar twee stenen dikpotten uit met twee oren. En ’t kwam uit de put, en ’t gebood aan Frans om zelve in die put te gaan om den derden pot uit te pakken. Frans ging er in, maar lijk dat hij die oren van de pot vaste pakte om op te heffen, was er lijk een donderslag in die kelder; Frans stond daar in den donkeren, zijn keerse was dood, en hij zag niet meer!Gelukkig dat hij zijn sulfers mee had; hij ontstak weer zijn keerse en hij zag weer lijk van te voren. Hij zet de pot boven, hij kijkt rond, maar dat geraamte was weg.En zegt Frans: "Wat zou er daar inzitten in die potten"? En hij kijkt met de keerse, en ’t ligt daar vanboven een briefke op. En ’t staat daar op: "Dat is voor Mijnheer Paster, voor de arme mensen te helpen". - "’t Is voor mij dus niet", zei ie, en ’t was al goude geld die er in zat.Hij keek naar de tweede pot en er lag daar ook een briefke op: "Dat is voor de burgemeester, voor wegen en straten en onkosten". - "Er is nog niet bij voor mij", zei hij.Hij ging naar den derden pot, en er lag daar ook een briefke op: "Dat is voor de vinder". - "Allé, ‘k ben er ook bij!" zei hij. Er stonden daar nu drie dikpotten met goudegeld erin, tot boven toe gevuld.En hij bakte nog een beetje voort tot het nuchtend was.Als het begoste te klaren, hij weer naar ’t Katje om alles te vertellen. En zegt ie tegen den baas: "Ga ‘ne keer mee, om te zien wat dat ‘k daar gevonden heb, maar niet toucheren hé, want we zouden kunnen zotheden zoeken: ’t zou dikwijls kunnen zijn dat het niet wel is".Ze gingen gaan kijken te gare, en ze kwamen te gare were.En ze gingen naar de paster en de burgemeester, om alles te zeggen.Op dat hof heeft het dan niet meer gespookt. En ’t kon were beweund zijn lijk van te voren, want dat waren die schatten die die toverij maakten.
Onderwerp
SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.   
Beschrijving
Een Belg die soldaat was geweest in Frankrijk, zat in café 'Het Katje' te pochen dat hij voor niets meer bang was. In het kader van een weddenschap nam Frans de uitdaging aan om in een bespookte boerderij te gaan overnachten. 's Avonds begon Frans pannenkoeken te bakken in de boerderij. Om twintig vóór twaalf hoorde de man plots een vreemd geluid: de deuren van de kamer, de kelder en de zolder begonnen te rammelen, hoewel er niets te zien was. Plots viel er een mensenbeen uit de schoorsteen in de pan. Koelbloedig nam Frans het been uit de pan en gooide het in een hoek. Even later vielen er nog andere beenderen en uiteindelijk ook een schedel in de pan. Frans gooide alles bij elkaar in een hoek. Plots stond in de hoek een volledig geraamte. Frans sloeg met een stok naar het geraamte, maar de stok ging er dwars doorheen. Het geraamte gebaarde driemaal met zijn vinger dat Frans naar de kelder moest gaan. Pas de derde keer stemde Frans toe met de woorden: "Als jij vooropgaat, dan zal ik meegaan". In de kelder wilde het geraamte dat Frans de deur opendeed. Nadat het geraamte driemaal naar de deur had gewezen, zei Frans: "Doe ze zelf open!" Vervolgens wilde het geraamte dat Frans moest binnengaan in de kelder. Nadat het geraamte dat driemaal had gevraagd, sprak Frans: "Ga voorop, ik zal je volgen". Uiteindelijk ging het geraamte voorop en leidde Frans naar een loodzware steen die hij moest opheffen. "Dat kan ik niet", zei Frans. Het geraamte vroeg het driemaal, tot Frans zei: "Hef hem zelf op met al jouw macht!" Het geraamte hief de steen op en gebaarde Frans om in de put te kruipen. De derde keer zei Frans: "Kruip er zelf in!" Het geraamte haalde twee stenen potten met twee oren boven. Daarna moest Frans in de put de derde pot gaan halen. Op het ogenblik dat Frans de pot vastnam, weerklonk er een luide donderslag en werd de Frans' kaars gedoofd. Frans stak lucifers aan, ging naar boven en stelde vast dat het geraamte verdwenen was. Op de eerste pot lag een briefje met het opschrift: "Dit is voor meneer pastoor, om de arme mensen te helpen". Op de tweede pot lag een briefje met de tekst: "Dit is voor de burgemeester, voor wegen en straten en andere onkosten". Op de derde pot lag een briefje waarop stond: "Dit is voor de vinder". Frans bakte nog verder tot het ochtend was en ging daarna het geld naar de pastoor en naar de burgemeester brengen. Sindsdien kon de boerderij weer bewoond worden, want het waren de schatten geweest, die de spokerij veroorzaakten.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
6. Sagen - Sprookjes
west-vlaams (tussen schelde en leie)
284
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Het Katje (café)   
Katje (Het) (café)   
Naam Locatie in Tekst
Outrijve   
Plaats van Handelen
Frankrijk   
