Hoofdtekst
Hier was een boerderij, e beetje verder. Als de mensen do 's avonds gegeten hadden dan baden ze de rozenkrans, maar ze waren nog nie begos dan lag do ene zwarte hond onder de tafel. De boer wol hem uitjagen maar 't was nutteloos; den hond boegeerde nie. Die hond had zo'n dikke poten, juist paardspoten. Wei (toen) ze gedaan hadden met bidden was den hond voert (weg). Een paar dagen daarna waren ze weer aan 't bidden en in 't midden van 't gebed lag den hond weer en weer was de kenkee (lantaarn) uit. Toen goenk de boer kaarsen halen. Er stak ze aan maar de hond boegeerde nie. Toen zagen ze dat ze met den duivel te doen hadden. Ze baden maar door en ze haalden water en ze gooiden dat kruisgewijs over het beeld. Toen was 't kruisbeeld gewijd en ze maakten kruisen met 't kruis over die hond en toen gonk er voert (weg). En wei (toen) ze 's anderendaags buiten koemen was zo'n plek wei een hoefijzer op de deur gebrand.
Onderwerp
SINSAG 0893 - Die Teufelsprägung   
SINSAG 0945 - Andere Begegnungen mit dem Teufel.   
Beschrijving
In een boerderij in Beverst had men de gewoonte om na het eten de rozenkrans te bidden. Vooraleer men was begonnen met bidden, vond men een zwarte hond met dikke poten onder de tafel. Toen de mensen klaar waren met het gebed, was de hond plots verdwenen. Enkele dagen later dook de hond weer op toen de mensen bezig waren met het gebed. Omdat de lantaren plots was uitgegaan, ging de boer kaarsen halen. Nadat men over de hond een kruisteken had gemaakt met een gewijd kruisbeeld, liep het dier weg. De volgende dag stond er een hoefijzer in de deur gebrand. Die hond was de duivel.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
3.1 Duivels
limburgs (bilzen)
546
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Beverst   
Plaats van Handelen
Beverst   
