Hoofdtekst
’t Liep ook een onderaardse gang, willen z’hebben van ons hof naar Passchijns. Dat was ook van de Tempeliers. Ze mochten ton (dan) geen messe doen he, en die geestelijken wareerden in dien gang zonder dat ze gezien waren. Binst dat ze messe deden stond er altijd een op wacht; en ze zijn ton algelijk (dan toch) weggejagen geweest. Dat was in de tijd van de kerkvervolgingen. En de tempeliers moesten ton altijd de tienste schove hebben van den oogst. Kwensie (kwestie?) van wanneer dat dat al is dat ze verjagen zijn, die Tempeliers. Dat waren stijve (erg) goeie geestelijken, zeien ze. Z’hebben de mensen altijd geholpen als ’t vervolgingen was.
Beschrijving
De Tempeliers hadden onderaardse gangen gegraven omdat ze werden vervolgd door de kerk. De Tempeliers eisten van iedereen een tiende van de oogst op. Wanneer de Tempeliers een mis deden, stond er altijd iemand op wacht. Op zeker ogenblik heeft men alle Tempeliers verjaagd.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
327
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Tempeliers   
Naam Locatie in Tekst
Snaaskerke   
