Hoofdtekst
’t Zijn d’r die zeggen datter hier nog een schat begraven ligt op us (ons) kerkhof van ten tijde van de tempeliers. Me (we) zijn al dikwijls van plan geweest van te delven, want ik weten de plekke. As ik een keer een graf aan ’t graven waren ‘k kwamen in ene keertegen een metalen plate, geen ijzer, want dat zou geroest zijn, ’t was gelijk staal, en m’hebben dat graf d’erop gezet, maar me (we) gaan toch een keere were graven, wie weet wat datter daar niet in zit.
Beschrijving
Op het kerkhof van Wilskerke zou een schat van de Tempeliers begraven liggen.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
331
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Tempeliers   
Naam Locatie in Tekst
Wilskerke   
Plaats van Handelen
Wilskerke   
