Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MHERM0211_0211_4803 - Weerwolf 2. Verschijningsvormen

Een sage (mondeling), 1966

Hoofdtekst

De vro wor een heks en de man ne weerwolf. Ne joenge en e metske wandelde sôme. De joeng mos zen commissies dun en gaf heur ne roeien tessenduk ver as de weerwolf mos kome. Nen hond kâm en 't metske goeide bê den tessendoek. De joeng hâ de stukke tussen zen tân. Da wor altêed om twelf oer. Dieje man kos ni anders.

Onderwerp

SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.    SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   

Beschrijving

Een jongen die samen met zijn vriendin een wandeling maakte, kondigde aan dat hij even een boodschap moest doen en gaf het meisje een zakdoek. Mocht er een weerwolf op haar af komen, dan moest ze die zakdoek naar de muil van het dier gooien. Toen er een hond kwam aangelopen, gooide het meisje de zakdoek naar zijn muil. Later zag het meisje dat haar vriend de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had. Om middernacht veranderde die jongen altijd in een weerwolf.

Bron

M. Hermans, Leuven, 1966

Commentaar

1.6 Weerwolven
limburgs (herk-de-stad)
883
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Schakkebroek    Schakkebroek