Hoofdtekst
De sjofot, die heb ich eens ech(t) gezien. Dat was ene vuurbol wa oech (= U) ereges leidde. Dat was dek (= dikwijls) in e japelstuk (= veld met aardappelen). Ich ging eens te voet noa Loon (= Borgloon) met me broer met de valies - hij moes(t) noa de statie voor noa Brussel te gaan - en aan Groot-Loon, aan de huis (= huizen) gekomen zeiter tegen mich 'gaat nu maar thuis, ich zal wel votsgaan alleen, hier is toch lich(t) en al.' Ich kwam thuis, Groot-Loon-bereg af en toen zag ich e lich(t) op het veld van Bommershoven bjane (= branden), 't was ha(l)f twalef 's nach(t)s en het was zjus Allerheiligen. Het was misschien een ziel wa verscheen. Op den draai voor (= om) in te slaan zag ich niks mee. Toen was ich op de baan, dattig meters van de stevig (= dertig meter van de steenweg) en toen zag ich hem weer in de bemme (= beemden), doa was e klein weike en die vuurbol hing in de hoek van de wei tegen de haag; enfin, dzje kon nie goed zeggen wa 't was, e groot vuur! Opeens was het weer voert (= weg). Dat waren meestal zielen van ongedoopte kinder.
Onderwerp
SINSAG 0182 - Wiedergänger als Irrlicht   
Beschrijving
Een man die zijn broer 's avonds naar het station van Borgloon had gebracht, keerde alleen terug naar huis. Onderweg zag de man omstreeks half twaalf in het veld van B. een licht verschijnen. Omdat het Allerheiligen was, vermoedde de man dat de verschijning een ziel zou kunnen zijn. Het vuur verdween en verscheen wat verderop weer opnieuw. Het moest de ziel van een ongedoopt kind zijn geweest.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
178
memoraat
Naam Overig in Tekst
Allerheiligen   
Naam Locatie in Tekst
Vechmaal   
Plaats van Handelen
Bommershoven   
Borgloon   
