Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MKEST0199_0199_30423

Een sage (mondeling), 1964

Hoofdtekst

Een meisen kwam alle dagen bij nen boer werken maar ze woonde een eindeke van daar. Ze had al verscheidene keren aangerand geweest van ne weerwolf. Ze kreeg ne raad dat ze moest ne zakdoek werpen. Draadje voor draadje moest hij dat uitleên. Daarbinst was ze zij thuis. ’s Anderendaags op ’t hof kwam ze de knecht tegen. “Gij zijt gij de weerwolf”, zei ze , “de draads van hare neusdoek hingen nog in zijn tanden.

Onderwerp

SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.    SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   

Beschrijving

Een meid die op een boerderij werkte, was onderweg al meermaals aangevallen door een weerwolf. Het meisje kreeg de raad om een zakdoek naar het beest te gooien. Toen het meisje dat deed, moest de weerwolf de zakdoek helemaal uitrafelen, waardoor het meisje de kans had om naar huis te lopen. De volgende dag zag het meisje dat de knecht die op de boerderij werkte, de draden van de zakdoek tussen zijn tanden had.

Bron

M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964

Commentaar

1.6 Weerwolven
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
471
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Nederbrakel    Nederbrakel