Hoofdtekst
Dat was in de jaren acht of negen, we waren wij in het muziek op de "Zwijnebak” en er was daar alle week repititie en den trommelaar van ’t muziek, Isidoor Delfosse, Isidoor van Patiste. Ze vader was Baptist, woonde aan de Zwijnbak bij die beek. Op een avond dat hij zo vertelde aan ons, zegt hij: "’k Weet niet, ieder keer dta ik naar huis ga van de repititie, ‘k hoor daar wat in de beek, de "Douve” zegt hij, ’t is altijd lijk een raar geschreeuw, lijk een getegeschreeuw, en ‘k durf niet meer graag naar huis gaan alleen. Thuur Six zegt: "Ik ga wel een keer meegaan, ik zou dat ook graag een keer horen”. Zo waren ze in compagnie en ze waren rechtuit (direct) veel stouter. Hij hoorde dat ook. En dat begon zo aan den draai aan Bonte’s en dat eindigde aan de volgende draai van de beke. Ten langen laatste ik zeg: "Ik zou dat ook een keer willen horen!” en ik ging ook mee en we waren met een stuk of tien of vijftien de eerste avond en we hoorden dat daar ook de mensen waren benauwd, er sprak niemand en dat was daar zo vreemd. Dat kwam daar zo uit de beek "méèoèè…” en wat dat dat was kon er niemand peinzen. De ene vertelde dat aan de andere en alle avonde was er daar meer volk. Er was daar een herbergje bij te lande en ze verkochten een masse bier. Maar er waren daar twee drie jagers te Nieuwkerke, Titeca en Devloo, die zeiden: "Als het een vogel is, we gaan hem schieten!” Ze kwamen met hun tweeloop en ze hoorden dat, maar dat passeerde daar zo zeer (snel) voor je, iedereen was stil. Er was niemand die lachte. ’t Was aardig ook. Ik heb dat beleefd. Dat verlaatte alle avond met tien minuten. Al met een ’t was uit. Ze hebben nooit ontdekt wat dat ’t was. Ik heb dat beleefd en ‘k kan dat wel vertellen lijk of dat ’t gegaan heeft, ’t was alleszins aardig. D’ene zeiden ’t ene, d’andere anders er waren er zelfs die zeiden dat ’t een oude boer was die weergekeerd was, geesten zeiden ze die weerkeerden. Maar heel de streek stond in rep en roer. De mensen waren serieus. Elk stond verstomd. En Leon Pittegem had daar een meers, ’t was in de tijd van ’t hooi in juni en ze moesten maaien maar ’t ging niet, ’t was al vertrappeld van ’t volk.
Onderwerp
SINSAG 0333 - Spuktier erschreckt Wanderer (und begleitet ihn).   
SINSAG 0478 - Andere Erlebnisse; unbeschreibbare Spukerscheinungen.   
Beschrijving
Een man ging iedere week naar de repetitie van de muziekvereniging bij de Zwijnebak. Telkens wanneer de man 's avonds naar huis wandelde, hoorde hij bij de 'Douve', een beekje dat daar stroomde, een geit schreeuwen. Omdat de man daarom niet meer alleen naar huis durfde, liet hij zich vergezellen door een groepje vrienden. Onderweg hoorde het gezelschap een geluid dat leek op het geblaat van een geit. Meer en meer mensen kwamen naar de geit luisteren, zodat de lokale herberg liters bier verkocht. Iedere avond hoorde men het geluid tien minuten later dan de vorige avond. Omdat het geluid uit de lucht leek te komen, namen twee jagers uit Nieuwkerke zich voor de geit neer te schieten. Ze zijn daar echter nooit in geslaagd.
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (ieper)
11
1908-1909
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Wulvergem   
Plaats van Handelen
Zwijnebak (tussen Nieuwkerke en Kemmel)   
