Hoofdtekst
Der was een boerke op ’t oud kasteel te Kwaremont die heel zijn leven in de bossen gewerkt had en hij vertelde wat dat zijn vader nog tegengekomen had.Zijn vader had ook heel zijn leven in den bos gewerkt en dat is vele gebeurd, zegt ie, dat ze ’s avonds vijfhonderd of zeshonderd bundels hout - of bussels hout, zeggen we - rondgesmeten hadden en dat ze ’s nuchtends al ’t hope gezet waren en dat was van de kabouters gedaan. En zijn vader vertelde dat dat niet raar was rond den negenen van den avond ’n stuk of vijftig mannekens van die grootte (50 cm) aan ’t werk te zien en dat was elk zijnen bussel hout en … lijk op kommande van ‘nen officier was dat werk seffens af. "En is ’t waar?" vroegen we. "Dat is zeker waar", zei dat boerke, "wat zou mijn vader daarmee geweest zijn met dat te vertellen als ’t niet waar was! En als ’t hout ’s nuchtends t’hope op de mijte lag dat ’s navends nog al rond in den bos lag, wie zou ’t anders gedaan hebben??" En dat waren al mannekens met ’n rood taupke (mutske) en seffens was dat werk gedaan, en dat is vele gebeurd;En als ze ’t op iemand niet goed gezien hadden, dat koste gebeuren dat heel d’houtmijt opengesmeten was.
Beschrijving
Als er 's avonds wel vijfhonderd of zeshonderd bussels hout in het bos lagen, gebeurde het vaak dat het hout 's ochtends allemaal in mijten was gelegd. De kabouters hadden dat gedaan. Omstreeks negen uur 's avonds kon men dan zo'n vijftig mannetjes van vijftig centimeter groot met rode mutsjes aan het werk zien. Ieder mannetje nam een bussel hout voor zijn rekening, zodat het werk in een mum van tijd klaar was. Als de kabouters iemand niet konden luchten, durfden ze een houtmijt ook wel eens omgooien.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.2 Aardgeesten
west-vlaams (tussen schelde en leie)
8
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Kaster   
