Hoofdtekst
Bij Tuur Canepeels was dadde. Tuur had een huzeke van plak en vlecht (takken en leem). O j’ bij een dode moeste waken stoend d’r daar een flasse (fles) genever bij. Ge waart azo half droenke van de genever en je kost azo de stank beter verdragen. Nu waren d’r die geerne (graag) genever hadden maar die nie geerne waakten.D’r was één die deur een gat in de muur een koorde vastbond aan de kiste en daarmee trokken ze de kiste weg en were. De waker was benauwd en liep weg al roepend: "Den doden keert were!" Azo hân d’andre ton de genever van de waker.
Beschrijving
Een man die in en huisje van takken en leem woonde, had altijd een fles jenever bij zich, wanneer hij bij een dode moest waken. Wanneer hij halfdronken was, kon de man de stank beter verdragen. Een grapjas had een koord rond de doodskist gebonden en trok de kist langs een gat in de muur heen en weer. Daarop riep de man verschrikt: "De dode keert terug!" en liep weg. Ondertussen ging de jenever van de man stelen.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (o van houtland)
221
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ruddervoorde   
