Hoofdtekst
Ich heb de maar drie keer op mich gehad ’s nach(t)s. Ene keer kwam ene man met een pik op mich aan en ich kon niemee bougeren. Enen andere keer was ich op ene muur wa in ’t water stond, en ze wilde mich maar in het water stoten. Toen kroop ich met mijn knieën op de muur en toen vielen de krelen (bakstenen) vervoleges uit. ’s Moreges was ich nat van de zweet, van de schrik wa ich gehad had. En toen nog eens, toen kwam een aa vrouw op mich liggen, dat ich niemee van plak kon, en ze schudde maar met haar vies haren in mij(n) gezich(t).
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Een man was 's nachts al driemaal door de mare bereden. Eén keer kon de man niet meer bewegen omdat hij werd bedreigd door iemand met een bijl. Een andere keer stond de man op een muur die in het water stond. De man had het gevoel dat iemand hem in het water probeerde te duwen. Toen de man op zijn knieën ging zitten, vielen de bakstenen uit de muur. De derde keer kon de man niet bewegen omdat er een oude vrouw met vieze haren op hem zat.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
255
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Tongeren   
