Hoofdtekst
Bij mijn vader thuis gingen ze karnen. De karn ingezet en maar begonnen. Als ze een tijdje bezig waren, zegt ze dat ze eens zou kijken of ze al boter heeft. Ze doet de karn open en dat was al koestront. Ze doet haar schoenen aan en zij naar de paters. Er is hier iets dat niet deugt, denkt ze. Dan gingen ze veel bij de paters. Die paters lezen over haar en geven haar dingen mee om in de karn te doen. „Ge moet zien,”zeiden ze, “dat ge de boter opeet, want er zal daar niets aan zijn, ’t is deugnieterij”.Moeder komt weer, ze doet dat dings in de karn en ze heeft nooit beter boter gehad. Maar ze heeft ze toch niet opgegeten.
Beschrijving
Een boerin die al een tijdje had gekarnd, stelde plots vast dat het botervat vol koeienmest was. De boerin ging naar de paters, van wie ze allerlei zaken kreeg om in het botervat te doen. De paters zeiden ook: “Je moet die boter opeten want daar zal niets mee aan de hand zijn”. De boerin ging naar huis en maakte uitstekende boter, maar ze durfde ze niet op te eten.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
oost-vlaams (zuiden)
56C
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ename   

