Hoofdtekst
Er was eens een weesjongen. Hij heette Obed. Na hard werken moest hij zoeken naar brandhout. In het bos zag hij amandelbomen, kruidnagelbomen, palmbomen, ananasstruiken en wat brandhoutstukjes. Hij verzamelde dat bij elkaar, had een sarong van zijn moeder meegenomen, legde dat op de grond, pakte al die brandhoutstukken bij elkaar in de sarong en knoopte het vast.
"Hé, wat is dat? Een sleutel. Een gouden sleutel. Koenyi mas! Waar een sleutel is, is er ook een sleutelgat!"
En hij begon te graven; hij groef in het rond; hij ging graven! Opeens hoorde hij iets metaals klinken. Tik tik, hij pakte de sleutel.
"Hé, een kist!"
Hij trok hem uit het gat, en voordat hij de deksel optilde, dacht hij: als ik nou in één keer rijk kan worden! Als ik nou nooit meer honger kan krijgen! En als ik nou feest kan vieren! Vriendjes kan maken! En nooit meer eenzaam kan zijn.
Hij tilde het deksel op.
"O, wat is dat? Allemaal vergeelde papieren met woorden! En ik kan niet eens lezen!"
Teleurgesteld deed 'ie de deksel dicht, tussen het brandhout, pakte de boel bij elkaar, op z'n schouders, naar huis. Eenmaal thuis zette hij de kist op tafel. Ging wat eten koken: beetje rijst, beetje ikam (vis). Op de een of andere manier trok de kist zijn aandacht. Hij ging naar de kist, pakte het op, onder zijn arm, naar het dorp, de schoolmeester. Hij ging naar de schoolmeester en gaf de schoolmeester het kistje.
"Dit heb ik gevonden!"
De schoolmeester tilde de deksel op en zag... vergeelde papieren. Met allemaal woordjes. Maar...
"Wat een prachtige verhalen... Allemaal verhalen... Geen schrijver... Geen schrijfster..."
Hij begon één van de verhalen te lezen, en Obed begon er aandachtig naar te luisteren.
'Er was eens een kamp. De mensen daar waren vrolijk van nature. Het andere kamp lag in het dal. In beide kampen waren twee vriendjes, die altijd goede vrienden waren. Ze gingen spelen, samen naar school... En op een gegeven ogenblik brak er onlust uit, met alle gevolgen vandien. Ze werden uit elkaar gerukt. Allebei waren ze verdrietig, jarenlang. En één van de jongens besloot een brief te schrijven. Wie weet kon hij zijn maatje weer terugvinden. En zo na twee, drie maanden kreeg hij ineens een brief terug. Wat was 'ie toen gelukkig! Hij heeft zijn vriend gevonden! Vanaf dat moment, ondanks de onlusten, ondanks de ruzie, zijn ze nog altijd vrienden van elkaar.'
Obed was heel erg gelukkig en zei: "Mijn moeder heeft geen geld om school te betalen. En ik moest toch iedere dag, moest ik werken. Ik zou toch... ik zou toch heel graag leren lezen."
De schoolmeester nodigde hem uit om iedere avond te komen om te leren lezen. En hij ging iedere avond. Iedere avond. Ook al was 'ie hartstikke moe, doodop, hij ging iedere keer naar de schoolmeester. Alle verhalen kende hij uit zijn hoofd. Op een dag kwam de rijkste boer door het dorp. [Vertelster slaat daarbij op een trommel]
"Jullie zijn allemaal uitgenodigd om bij mij feest te vieren! U ook! U ook! Wil jij patat? Jij krijgt patat! [Publiek lacht] Jullie zijn allemaal uitgenodigd om acht uur vanavond!"
Obed trok zijn beste kleren aan. Hij zag er stoer uit. Acht uur was hij daar. Hij zag daar allemaal mensen: mannen en vrouwen en kinderen. Iedereen was daar aanwezig. Het was geweldig! Een feest! Overal waren d'r vrolijke mensen. De kinderen zongen: "Sajang jeh, o sajang jeh." Het was geweldig. Al zijn leeftijdsgenoten gingen allemaal naar elkaar toe. Opeens was er een leuk meisje; het scheen de dochter te zijn van de rijkste boer.
"Hé, Obed! Jij hebt toch die kist gevonden? Jij hebt toch leren lezen? Jij hebt toch verhalen gevonden? Ga eens even een verhaal vertellen!"
Obed was eigenlijk een heel verlegen jongen. Hij dorst niks! Hij, hij kon eigenlijk niks. Hij kende al die verhalen uit zijn hoofd.
"Ja. Ja."
"Nou, vertel dan! Vertel dan!"
Obed begon zijn verhaal te vertellen en langzaam kwamen de mensen, de kinderen, de volwassenen luisteren naar zijn verhaal. Na zijn verhaal ging iedereen klappen, iedereen ging klappen. [Vertelster applaudiseert zelf ook] Klap maar mee! [Publiek klapt].
"Nog een verhaal!" werd gevraagd.
"Nog een verhaal, Obed. Nog een verhaal!"
Het ging de hele dag door en het hele dorp stond naar hem te luisteren. Hij was zo gelukkig. Vanaf dat moment werd 'ie uitgenodigd op alle feesten, vanaf dat moment had 'ie geen gebrek meer; vriendjes had 'ie volop, koenyi mas - dat was dus zijn geluk: goud.
[Applaus]
(Verteld op zondag 17 december 2000 tijdens een Kerst-vertel-concert in houtzaagmolen De Ster)
"Hé, wat is dat? Een sleutel. Een gouden sleutel. Koenyi mas! Waar een sleutel is, is er ook een sleutelgat!"
En hij begon te graven; hij groef in het rond; hij ging graven! Opeens hoorde hij iets metaals klinken. Tik tik, hij pakte de sleutel.
"Hé, een kist!"
Hij trok hem uit het gat, en voordat hij de deksel optilde, dacht hij: als ik nou in één keer rijk kan worden! Als ik nou nooit meer honger kan krijgen! En als ik nou feest kan vieren! Vriendjes kan maken! En nooit meer eenzaam kan zijn.
Hij tilde het deksel op.
"O, wat is dat? Allemaal vergeelde papieren met woorden! En ik kan niet eens lezen!"
Teleurgesteld deed 'ie de deksel dicht, tussen het brandhout, pakte de boel bij elkaar, op z'n schouders, naar huis. Eenmaal thuis zette hij de kist op tafel. Ging wat eten koken: beetje rijst, beetje ikam (vis). Op de een of andere manier trok de kist zijn aandacht. Hij ging naar de kist, pakte het op, onder zijn arm, naar het dorp, de schoolmeester. Hij ging naar de schoolmeester en gaf de schoolmeester het kistje.
"Dit heb ik gevonden!"
De schoolmeester tilde de deksel op en zag... vergeelde papieren. Met allemaal woordjes. Maar...
"Wat een prachtige verhalen... Allemaal verhalen... Geen schrijver... Geen schrijfster..."
Hij begon één van de verhalen te lezen, en Obed begon er aandachtig naar te luisteren.
'Er was eens een kamp. De mensen daar waren vrolijk van nature. Het andere kamp lag in het dal. In beide kampen waren twee vriendjes, die altijd goede vrienden waren. Ze gingen spelen, samen naar school... En op een gegeven ogenblik brak er onlust uit, met alle gevolgen vandien. Ze werden uit elkaar gerukt. Allebei waren ze verdrietig, jarenlang. En één van de jongens besloot een brief te schrijven. Wie weet kon hij zijn maatje weer terugvinden. En zo na twee, drie maanden kreeg hij ineens een brief terug. Wat was 'ie toen gelukkig! Hij heeft zijn vriend gevonden! Vanaf dat moment, ondanks de onlusten, ondanks de ruzie, zijn ze nog altijd vrienden van elkaar.'
Obed was heel erg gelukkig en zei: "Mijn moeder heeft geen geld om school te betalen. En ik moest toch iedere dag, moest ik werken. Ik zou toch... ik zou toch heel graag leren lezen."
De schoolmeester nodigde hem uit om iedere avond te komen om te leren lezen. En hij ging iedere avond. Iedere avond. Ook al was 'ie hartstikke moe, doodop, hij ging iedere keer naar de schoolmeester. Alle verhalen kende hij uit zijn hoofd. Op een dag kwam de rijkste boer door het dorp. [Vertelster slaat daarbij op een trommel]
"Jullie zijn allemaal uitgenodigd om bij mij feest te vieren! U ook! U ook! Wil jij patat? Jij krijgt patat! [Publiek lacht] Jullie zijn allemaal uitgenodigd om acht uur vanavond!"
Obed trok zijn beste kleren aan. Hij zag er stoer uit. Acht uur was hij daar. Hij zag daar allemaal mensen: mannen en vrouwen en kinderen. Iedereen was daar aanwezig. Het was geweldig! Een feest! Overal waren d'r vrolijke mensen. De kinderen zongen: "Sajang jeh, o sajang jeh." Het was geweldig. Al zijn leeftijdsgenoten gingen allemaal naar elkaar toe. Opeens was er een leuk meisje; het scheen de dochter te zijn van de rijkste boer.
"Hé, Obed! Jij hebt toch die kist gevonden? Jij hebt toch leren lezen? Jij hebt toch verhalen gevonden? Ga eens even een verhaal vertellen!"
Obed was eigenlijk een heel verlegen jongen. Hij dorst niks! Hij, hij kon eigenlijk niks. Hij kende al die verhalen uit zijn hoofd.
"Ja. Ja."
"Nou, vertel dan! Vertel dan!"
Obed begon zijn verhaal te vertellen en langzaam kwamen de mensen, de kinderen, de volwassenen luisteren naar zijn verhaal. Na zijn verhaal ging iedereen klappen, iedereen ging klappen. [Vertelster applaudiseert zelf ook] Klap maar mee! [Publiek klapt].
"Nog een verhaal!" werd gevraagd.
"Nog een verhaal, Obed. Nog een verhaal!"
Het ging de hele dag door en het hele dorp stond naar hem te luisteren. Hij was zo gelukkig. Vanaf dat moment werd 'ie uitgenodigd op alle feesten, vanaf dat moment had 'ie geen gebrek meer; vriendjes had 'ie volop, koenyi mas - dat was dus zijn geluk: goud.
[Applaus]
(Verteld op zondag 17 december 2000 tijdens een Kerst-vertel-concert in houtzaagmolen De Ster)
Beschrijving
Een arme jongen vindt een schatkist, maar er blijken alleen vergeelde papieren in te zitten met woorden erop. De jongen neemt de kist mee naar de schoolmeester, en die ziet dat er allemaal verhalen in zitten. De jongen zou graag willen leren lezen, en de schoolmeester leert hem dat in de avonduren. Tijdens een feest van de rijkste boer van het dorp wordt hij herkend als de vinder van de schat. Omdat hij nu alle verhalen uit zijn hoofd kent, begint hij ze te vertellen. Nu vindt hij toch de rijkdom waarnaar hij had gezocht: hij kreeg veel vriendjes en hij mocht op alle feesten komen. De schat bleek toch een schat.
Bron
bandopname vertelsessie archief MI
Commentaar
17 december 2000
Naam Locatie in Tekst
Obed   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
