Hoofdtekst
Dat was een vrommes dat kersierde met ne jong en die jong had de naam van weerwolf. Op nen avond gingen ze naar de kermis en op zekere keer zei die jong dat hij zijn broek eens moest afdoen. Hij zei: "Als er iets op u afkomt, hier is mijn maalslap. Smijt hem die in zijn bakkes." Toen dien hond op haar afkwam, smeet ze die maalslap en toen die jong terugkwam, had hij de stukken van de maalslap nog tussen zijn tanden hangen.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen die 's avonds met zijn vriendin naar de kermis ging, sprak onderweg tot het meisje: "Ik moet even een boodschap doen. Mocht er een beest op je af komen, gooi dan mijn zakdoek naar zijn muil". Het meisje deed wat haar was aangeraden. Toen de jongen even later terugkwam, stelde het meisje vast dat hij de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had".
Bron
A. Princen, Leuven, 1965
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tussen hasselt en beringen)
543
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Stokrooie   
