Hoofdtekst
Parret, e zwijnesnijder, e’k ik oltemets hoord van vader, reed in de busschen. Mor ommèkeer enne moste zijn broek ofsteken enne boend zijn peerd an de boom. En ’t kwamen dor twee mannen. En zeggen die mannen ezo tegen hem: "Wuk doej dor tè?" "Schijten!", zeiten, "moe’k misschien in je mule schijten?" En je stropte zijn broek an en je liep weg want ne wos benauwd van die mannen die twee moordenaars woren van Bakelandts bende.
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Een varkenssnijder die door het bos reed, bond zijn paard aan een boom en steeg af omdat hij even een boodschap moest doen. Daarop werd de man benaderd door twee onbekenden die vroegen wat hij daar deed. De varkenssnijder diende de onbekenden van antwoord en maakte zich snel uit de voeten. Die twee mannen waren moordenaars van de bende van Bakelandt.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
4. Historische sagen
west-vlaams (vrijbos)
148A
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Bakelandt   
Parret   
Bakelandt (bende van)   
bende van Bakelandt   
Naam Locatie in Tekst
Staden   
