Hoofdtekst
Aan de molen, in de wenning (= hoeve) was ene pastoor van Hasselt (ge)komen voor de boel te overlezen. Ze kwamen kieke, en aan de pjaadstal kigden (= keken) ze noa de krib, en de pastoor die zei 'breek het op' en toen onder de steen zat doa een pad, ze jonde (= werd) vernietigd en toen hiel(d) het speel op. Maar anders waren doa altijd pjaad (= paarden) wa kapot gingen. Ze liepen nat van zweet; elek jaar ging doa e pjaad (= paard) kapot op zijn minste! Dat was de mare wa op de pjaad zat 's nach(t)s.
Beschrijving
Op de hoeve bij de molen van Lauw gingen alle paarden om een onverklaarbare reden dood. Toen de pastoor van Hasselt de stal kwam overlezen, liet hij de kribbe van de paarden afbreken. Onder de kribbe werd een pad gevonden. Nadat men de pad had gedood, bleven de paarden gezond. Voordien werden ze 's nachts altijd door de maar bereden, waardoor ze 's ochtends helemaal bezweet waren.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
937 (1)
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Lauw-molen   
molan van Lauw   
Naam Locatie in Tekst
Lauw   
Plaats van Handelen
Lauw   
Hasselt   
