Hoofdtekst
19B Ik heb met onze Jos ook iets voorgehad, als die negen jaar was. Ja, jij weet dat niet.y2 Nee, nee.19B Ja, onze Jos was negen jaar. En dat kind werd ziek. En die kwam op mijn schoot zitten en ik zeg: "Maar ventje wat heb jij toch." "Ja moe, mijn kop doet zeer." Ik zeg: "Ja, dan moet ik voor jou naar de doktoor (dokter) gaan." En dan ging ik daarmee naar dokter Geyskens. Dat is een doktoor van Aarschot. En die kwam en die zei tegen mij: "Ik denk dat hij een snotvalling heeft. Ik zal iets geven en dan moet je dat in zijn neusje spuiten en dan zal dat weeral gedaan zijn." Maar onze Jos die werd zieker en zieker en zieker en zieker. Dat was dan juist in de oorlog. En ja en toen… Geyskens die was op vlucht in Nieuwrode en dan dokter Liekens die was op vlucht in de Vennen. En dat was dichter bij ons, want ik was ook op vlucht aan de paardenkoers. En dan ging ik daar henen (naartoe), naar de doktoor, en dan deed ik die komen. En die zei: "Dat kind heeft een appendicitis." En ik zeg: "Maar dokter, wat zeg jij nu. Dat kind klaagt over zijn kop, van zijn buikje heeft hij nog nooit niet geklapt (gepraat)." Ja kind, ja, ik moest die medicamenten geven. Dat beterde niet, dat kind werd zieker en zieker. Nu kreeg ik van iemand een adres van een madam van Brussel. En ik zeg: "Ja, dat is goed en wel, maar ik kan dat kind hier toch niet alleen laten om nu naar Brussel te rijden naar die madam." "Ga naar die madam van Brussel, dan is je kind genezen," zei die. Ik zeg: "Ja, wat moet ik nu doen?" En dan een gebuurmaske (buurmeisje), die schuins over mij woonde, Stevens. Je hebt ze misschien goed genoeg gekend, maar allé. Die is naar Brussel gereden met een foto van onze Jos. En die madam van Brussel die zei tegen Elza: "Deze avond als jij thuiskomt en het kind leeft nog, dan zal hij het halen. Maar zeg tegen die madam dat ze hem geen medicamenten mag geven van de doktoor (dokter)." "Want dan kan ik er niks aan doen," zei ze. En dan heb ik altijd moeten bidden. En dan moest ik ’s nachts opstaan om te bidden. En ja, en zij kwam ’s avonds thuis en ja, dat kind leefde nog. "Ja," zei ze, "dan heb je nog veel kans dat hij erdoor geraakt. Maar je moet ’s nachts opstaan om te bidden." Want die had briefjes bij, ik heb die briefjes nog. Ik zeg: "Ja, ik zal doen wat ik kan, ik zal wel bidden." Awel, en onze Jos die is genezen, zonder een lek medicament. Dan naderhand ben ik zelf eens naar die madam gegaan. y2 Mmm19B Ik zeg: "Maar mevrouw, wat scheelt er dan aan dat kind." "Dat was een kwade hand," zei ze. "Ken jij misschien iemand in de geburen (buurt)?" Ik zeg: "Ja maar, kun jij niet zeggen wie dat is?" "Ja," zei ze, "ik kan dat zeggen, maar ik mag dat niet zeggen."y2 Zelfs als ze zo ver weg woonde wist die wie dat gedaan had. Want dat was toch een van Brussel. En toch wist die wie dat gedaan had?19B Ja. y2 Amai
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Een moeder had een zoontje van negen jaar. Op zekere dag vertelde de jongen dat hij hoofdpijn had. De moeder ging met het kind naar de dokter, die zei: "Dat zal een verkoudheid zijn". De arts gaf de moeder een medicijn dat ze in de neus van haar zoontje moest spuiten. Het kind werd echter alsmaar zieker. Na een tijdje besloot de moeder naar een andere dokter te gaan, want de dokters uit de buurt waren gevlucht omdat het oorlog was. Die andere dokter beweerde dat het kind een blindedarmontsteking had en gaf de moeder medicatie om aan haar zoon te geven. Het kind genas echter niet. Van een kennis kreeg de moeder de raad om met haar zoontje naar een vrouw uit Brussel te gaan. Omdat de moeder dat niet zag zitten, ging een buurvrouw in haar plaats naar Brussel met een foto van de zieke jongen. De vrouw uit Brussel sprak tot de buurvrouw: "Als de jongen nog leeft wanneer je thuiskomt, dan zal hij blijven leven. Maar zeg aan de moeder dat ze het kind geen medicijnen van de dokter mag geven. Zeg haar ook dat ze veel moet bidden en dat ze 's nachts moet opstaan om te bidden". Toen de buurvrouw thuiskwam, leefde het kind nog. De moeder deed wat haar werd aangeraden en stond 's nachts op om te bidden. Na een tijdje genas de jongen. Op zekere dag ging de moeder zelf eens naar die vrouw uit Brussel en vroeg: "Maar mevrouw, wat had mijn zoon dan toch?" De vrouw uit Brussel beweerde dat de jongen ziek was geworden door toedoen van een kwade hand. Ze mocht echter niet zeggen wie voor het kwaad verantwoordelijk was.
Bron
T. Bergen, Leuven, 2003
Commentaar
2.1 Heksen
vlaams-brabants (groot-aarschot)
19B
WOII
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Langdorp   
Plaats van Handelen
Brussel   
