Hoofdtekst
De zeven geitjes.Er was een moeder geit en die had zeven kleine geitjes. Ze woonden in een stalleke en ze waren allemaal braaf. Maar op een keer zegt de moeder: "Nu moet ik eten gaan zoeken hé. Want 't eten is allemaal op." En ze pakt een mand, en dan een sikkel om gras gaan te snijden hé! Ja, maar ze zegt tegen die geitjes: "De deur niet open doen zulle. Voor niemand hé! Als ik het ben zal ik wel roepen."Maar nu waren ze aan 't spelen en aan 't stoeien in huis en opeens, een klop op de deur. En ze gingen naar de deur en ze vroegen: "Wie is 't?" Maar 't was de wolf aan de deur hé! Maar de wolf, die heeft zo'n zwaar stem hé. En dan zegden ze direct: "Oh, neen hé, gij moogt niet binnen zulle, want gij zij t ons moeke niet. Ge hebt veel te zwaar taal." "Oh maar," dacht de wolf, "dat zal ik wel verhelpen." En hij ging naar 't dorp en kocht daar een hele doos krijt, wit krijt zo, en dat at hij op. En toen was zijn stem zo helemaal anders. En toen kwam hij weer terug aan de deur. Maar nu was er zo'n klein vensterken bezij aan de deur. Nu had hij zijn poot daar op gelegd, op dat vensterken. Had hij niet aan gedacht zeker. Maar nu gingen die geitjes zien: "Oh, neen zulle, want gij hebt veel te grote poten. Ons moeder heeft er zo geen." En hij mocht weer niet binnen.Hij dacht: "Maar nu zal ik ze toch wel hebben." Hij ging naar de molen en hij vroeg aan de maalder om zijn poten in de bloem te steken, zodat ze goed wit zagen. En ja, toen ging hij terug naar 't stalleke en toen deden ze de deur open. En toen kwam hij binnen. Maar 't kleinste geit je was in de horlogekast gekropen, dat is zo'n grote staande klok. En daar was dat ingekropen. Omdat hij er al zoveel moest opeten, had hij dat niet gemist. En toen ging hij buiten en hij ging slapen.Nu kwam die moeder thuis en de deur stond open, en alles lag overhoop. Toen kwam dat kleine geitje uit de kast gesprongen. En toen vertelde dat aan hun moeder hoe dat dat allemaal gegaan was.En door den duur, nogal dicht aan een grote beek, daar had de wolf aan 't drinken geweest en daar lag hij te slapen. En ze pakte 't broodmes en ze sneed de buik open. En al die geitjes kwamen daar uit gesprongen. En toen pakten ze wat stenen en ze stopten die in de buik van die wolf en ze naaiden dat met grote steken toe. En hij sliep maar voort.Toen gingen ze naar huis dan. Een beetje daarna ging de moeder nog eens zien en toen ging hij juist drinken aan de beek. En met die zwaar stenen in zijn buik viel hij voorover en hij verdronk. Nu was hij weg hé!Toen ging de moeder terug naar huis en zei ze: "Doe nu nooit of nooit de deur nie meer open, en voor niemand zulle! 't Is eender wie. Als ik het ben zult ge 't wel horen."Ja, en dat was een goei les voor de geitjes hé! Ze hebben het nooit meer gedaan denk ik.
Onderwerp
ATU 0123 - The Wolf and the Kids.   
AT 0123 - The Wolf and the Kids   
Beschrijving
Moeder geit woonde met zeven kleine geitjes in een stal. Op een dag moest moeder geit eten gaan zoeken met een mand en een sikkel. Voor haar vertrek sprak ze tot de kleine geitjes: "Wanneer ik weg ben, mogen jullie de deur voor niemand opendoen. Als ik het ben, zal ik wel roepen". De geitjes waren aan het spelen, toen er plots op de deur werd geklopt. De geitjes hoorden iemand met een zware stem en wilden de bezoeker niet binnenlaten. Het was namelijk een wolf. De wolf ging naar de stad en kocht daar krijt, dat hij opat, waardoor zijn stem veel lichter werd. Daarna ging de wolf opnieuw naar de stal. Hij mocht echter weer niet binnen omdat hij zulke grote poten had. De wolf ging naar de molen, waar hij zijn poten in de witte bloem stak en ging dan weer naar het stalletje. Deze keer werd hij wel binnengelaten. De wolf at alle geitjes op, behalve het kleinste, dat in de staande klok was gekropen. Moeder geit kwam thuis en kreeg van het kleinste geitje te horen wat er was gebeurd. Samen met het kleine geitje trok ze naar de plaats waar de wolf lag te slapen. Ze sneden de buik van de wolf open en bevrijdden de andere geitjes. Vervolgens werd de buik van de wolf met stenen gevuld en dicht genaaid. Toen de wolf daarna bij de rivier ging drinken, was zijn buik zo zwaar dat hij in het water viel en verdronk.
Bron
K. Bruynseels, Leuven, 1991
Commentaar
7. Sprookjes
antwerps (nijlen)
13
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nijlen   

