Hoofdtekst
Mijn vader was in de zandput verongelukt geweest en 6 maand lag hij op zijn bed. Hij had beloofd naar Kiezer te voet te gaan als hij geneesde. Ik was thuis een jaar of elf. Op nen dag zetten we ons te 5 ½ ’s morgens op baan. Vader zei dat we altijd rechts moesten inslaan. Zo we marcheren, marcheren en als het al 11 van de voornoenen was stonden we nog maar op den Bruul. Mee duizenden keren had vader naar Kiezer geweest, maar hij kost hem niet herkennen. We komen daar Lokoef met zijn enen arm tegen. “Kijk”, zegt hij, “wat doet gij hier?” Mee tegen diene mens te klappen werd vader gewaar dat hij voor de grote kerk stond. Ten tweeën zijn we dan te Kiezer toegekomen.
Beschrijving
Een man die na een ongeluk al zes maanden in zijn bed lag, beloofde dat hij te voet naar Kerselare zou gaan als hij zou genezen. Op zekere dag vertrok de man met zijn gezin om half zes ’s morgens op bedevaart. Het gezelschap raakte echter verdwaald en stond om elf uur nog maar op de Bruul. Ze vroegen aan iemand de weg en kwamen pas om twee uur ’s middags in Kerselare.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
107
Omstreeks 1910
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ronse   
Plaats van Handelen
Kerselare   
Bruul   
