Hoofdtekst
Da wos entwodde in dien tijd. Ik wos ton een klein ventje, en ‘k ging ton dikkels naar de smesse up de plaatse, da wos nog een beetje ’t kommerekot, en ‘k hoord olsan vertellen over de vliegende geite, en de mensen zeien tegen mekaar: "Oe is ‘t, ga je vanavend wok naar de vliegende geite gaan kijken?" En oeke thuus kwam vroege kik aan mijn vader oek wok mochte naar Beselare gaan, maar ‘k mochte niet, en ‘k vroege ton aan vader wuk da dat wos. Ja, den een zei dat dat een vliegende geite wos, den anderen zei dat dat een veugel wos, maar ten es nooit niemand die gezien hèd en wuk dat dadde geweest is, ‘k en wete ’t wok niet.
Beschrijving
Een jongen had al vaak horen vertellen over de vliegende geit die iedere avond in Beselare verscheen. Op een avond vroeg de jongen aan zijn vader of hij ook naar de vliegende geit mocht gaan kijken, maar de vader weigerde.
Sommige mensen beweerden dat de vliegende geit in werkelijkheid een vogel was. Niemand heeft de geit ooit gezien.
Sommige mensen beweerden dat de vliegende geit in werkelijkheid een vogel was. Niemand heeft de geit ooit gezien.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (ieper)
112
Kindertijd van de informant
memoraat
Naam Overig in Tekst
vliegende geit (Beselare)   
Naam Locatie in Tekst
Geluveld   
Plaats van Handelen
Beselare   
