Hoofdtekst
Ich was op Tongeren-Keremes. We waren met twee, drie jongen meteen en doa was ook e metske (= meisje) of vijf, zes. Ene van Riksingen wa ich kaant, ging met één (van de meisjes). Ja, toen ging ich ook met één met! Mè, 't was nog vroeg 's a(ch)ternoens en dat metske moes(t) de küj (= koeien) nog meleken; ze was van Ketsingen. Ich had afgesproken met mijne kameraad dat we 's avonds terug in Ketsingen zouden zijn. Ich ging dan en hij met, in 't huis van dat metske, doa was het herebereg en he bleef zitten. Toen gingen we thuis om een, twee uren 's nach(t)s. Ich zei tegen mijne kameraad 'ich weet hier niks, ze!' maar hij wel, hij was doa goed bekaand (= bekend) overal. Ich volegde hem dan en hij op Elderen (= 's-Herenelderen) af! Toen wist er de baan niemee goed en hij klop(t) aan een wenning (= hoeve), toen zei de man bo't was voor op Henis af te gaan. 'Gaat maar die baan op' zei de man; en wij van Elderen op Henis. Doa stonden mijten in 't veld en doa a(ch)ter zagen we lich(t). Ich zeg tegen mijne kameraad: 'doa is nog lich(t) bij de garde op de stevig (= steenweg)' - het was krek een huis met twee vinsters boven en twee vinsters onder! - Ich zeg: 'ich ben müj (= moe), doa gaan we liggen, ich kan niemee voders (= verder) en zjiè ook nie.' En wij doahene, mè het lich(t) komt op o(n)s oaf, wor! - bo wij doa meenden liggen te gaan, hein! mè dat was het huis van de garde nie, wei (= als) we meenden, ze! - dat lich(t) kwam af, wor! en het jonde (= werd) ineens zo klaar... zo klaar... zo klaar as klarelichten dag! We hadden schrik, dat hoefde zje nie te vragen, hein! En hij thuis, hein! en ene hoop kruizer gemaak(t) en ich weet nie wa!... Thuis wildeter mich zijne stek langen (= geven), zo bang had er. - Dat is ech(t) waar gewees(t) ze! Maar... 's donderdags ternoa ging ich noa de koewmärt (= koemarkt) met een koew en ich zag dat wijf doa, uit die herebereg, en die zei tegen mich: 'zje had nog iet gezien onder de baan, hein!...'zei ze, mè dat was een heks, die wis(t) dat! Die had mich nooit goed aangestaan.
Onderwerp
SINSAG 0540 - Hexe führt irre   
Beschrijving
Enkele jongens en meisjes waren in Tongeren naar de kermis geweest. Eén van de jongens bracht samen met zijn kameraad zijn vriendin naar huis, omdat die in Ketsingen woonde en de koeien nog moest melken. Omdat de ouders van het meisje een herberg hadden, gingen de jongens pas om één of twee uur 's nachts naar huis. De twee vrienden raakten echter verdwaald. Toen ze onderweg een vreemd licht op hen af zagen komen, stonden de jongens doodsangsten uit. De volgende donderdag ontmoette één van de jongens op de koemarkt de vrouw uit de herberg, die grijnzend zei: "Je hebt onderweg nog iets gezien, hè!" Die vrouw was een heks.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (tongeren en omstreken)
606
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Diets-Heur   
Plaats van Handelen
Ketsingen   
Tongeren   
