Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MVAND0124_0124_32853

Een sage (mondeling), 1964

Hoofdtekst

In den tijd had ik een zuster die ziek geworden was, ze zwol op; en ze riep altijd dat ze haar de kele toenepen. Dat was betoverd, effen af haar doen sterven! Ik was toen bij de paster gegaan en als ik hem dat zei: “Jongen, jongen!” zei hij en hij wierp zijn handen omhoog en ik kreeg zottegijen links en rechts. “Dat en bestat niet, gij en moogt zo bijgelovig niet zijn!” Maar ik zei tegen de paster dat er in de catechismus stond: “Mag men wel bij tovenaars en waarzeggers te raden gaan” en dat ik daar daardoor in geloofdegen. “Gij en zult dat niet meer zeggen aske ze zult zien liggen”, zei ik. Maar als hij haar zag en zei hij niet nimmer, en dan moest hij haar abil (algauw) overdriesen (besprenkelen) mee wijwater, en hij begost er over te lezen: “Awel, meneer de paster, wat zegde er nu van, gij die mij al die zottegijen gegeên hebt?” “Dat ’t waar is”, zei hij. En ik zei hem dat ik van zin was ’s anderdaas bij de paters te gaan en hoe dat hij daar niet tegen had: “’k Moe ‘k ik zelf gaan want ’t is al te ver gekomen; als ze nog leeft”, zei hij, en ze leefdegen nog. En hij ging er naartoe en gedurende negen dagen moesten negen paters ginder voor haar lezen: en de paster van Aspelare en den diën van Sint-Antelinckx moesten elk op toer haar komen zegen. Want ze zeggen altijd dat ’t goed meer macht heeft dan ’t kwaad.

Onderwerp

SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste    SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   

Beschrijving

Een meisje dat ziek was, riep de hele tijd dat haar keel werd dichtgeknepen. Omdat de broer van het meisje geloofde dat zijn zus was betoverd, ging hij te rade bij de pastoor. Die geestelijke sprak echter: “Jongen, je mag niet zo bijgelovig zijn!” De pastoor kwam toch een kijkje nemen. Hij besprenkelde het meisje met wijwater en overlas haar. Daarna moest de pastoor toegeven dat het meisje inderdaad was betoverd. De broer zei dat hij de volgende dag naar de paters zou gaan, maar daarop antwoordde de pastoor: “Ik moet zelf gaan, want het is al te ver gekomen”. De pastoor ging dan zelf voor het meisje naar de paters. Negen paters moesten negen dagen lang voor de zieke bidden. De pastoor van Aspelare en die van Sint-Antelinckx moesten haar om beurt komen zegenen. Het goede heeft immers meer macht dan het kwade.

Bron

M. Van Der Linden, Leuven, 1964

Commentaar

2.1 Heksen
oost-vlaams (denderstreek)
304
Zus van de informant
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Aspelare    Aspelare