Hoofdtekst
dô wôre minse van Mile; en di konde gien biesten hâve; dô ien weg, dô ien doeud; en dô kam ne pôter, en dee zei: "Ich gôn oech bevrêie; mo ge moet ni ötkoume, wat er och gebuird"; en z’huurde schrieven en alles; mo ze kôme ni öt en alles was gedôn.
Beschrijving
Bij een gezin uit Mielen gingen alle dieren dood. De pater sprak tot de mensen: "Ik ga jullie bevrijden, maar jullie mogen niet naar buiten komen, wat er ook gebeurt". De mensen hoorden een luid geschreeuw. Door de hulp van de pastoor hield het ongeluk eindelijk op.
Bron
A. Abeels, Leuven, 1965
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (sint-truiden)
594
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Brustem   
Plaats van Handelen
Mielen   
