Hoofdtekst
Hier was een boer en die had zo knechts, vroeger hadden hier de grote boeren dat allemaal, dat was een grote winning, die was zeker vijftig hektaren groot toen in die tijd. En toen was daar zo een knecht, Cuppenske of hoe heette hij weer en die was paarden aan het inhalen hè en toen rutste (= schoof uit) hij uit met zo veulens in de herfst in te halen, wor, dat was allemaal moos en al. En die valt daar tussen de paarden en daar verschrikt hem een veulen en dat trapt hem op zijn hand of op zijn arm ergens hè. En toen het vel van zijn arm af en lelijk bloeden en alles en toen begint dat te zweren en die naar de dokter geweest en alles. (... uitweiding over de moeilijke genezing). En toen had hem iemand gezegd ergens van waar hij was - hij was ergens van de kanten van Zelem of zo - dat hij moest aan een kapel bedevaart gaan bidden negen dagen achtereen. Tja, in de winter en 't was vroeg donker en zo en hij pakt een lantaarn en zo ging die negen dagen achtereen daar bidden aan die kapel. Maar toen de mensen, die geloofden aan spoken vroeger hè, die zegden: 'Daar zit een spook rond de kapel.' Maar daar wist niemand dat dat die was en die had ook tegen niemand niet gezegd dat hij dat deed, zelfs daar niet waar hij woonde. En op 't laatste, daar durfde niemand niet meer doorgaan. Die gingen drie-, vierhonderd meter achterom, wor. En dat was hij met zijn lantaarn, ze zagen daar licht en ze zagen daar beweging maar ze wisten niet wat het was en ze zegden dat het een spook was.En toen op 't laatste, die garde, die op hieraan woont, die zou dan kijken gaan hè. En die was daar stillekens door de struiken gegaan hè en zo achter de kapel tot aan de deur en zo op twee meter van hem af, daar had hij gestaan en toen zag hij dat dat die was die daar bidden ging, wor.
Beschrijving
Toen knecht Cuppenske enkele paarden wilde inhalen, gleed hij uit en viel op de grond. Eén van de veulens schrok en trapte de knecht op de arm. Cuppenske was zwaar gewond. Omdat de wonde aan zijn arm ontstoken raakte, ging de knecht op bedevaart naar een kapel waar hij negen dagen achter elkaar moest gaan bidden. Omdat het op winteravonden vroeg donker was, nam Cuppenske een lantaarn mee naar de kapel. De andere mensen wisten echter niet dat de knecht daar ging bidden. Ze waren er dan ook van overtuigd dat het spookte bij de kapel. Toen iemand op een avond toch de moed had om de wacht te houden bij de kapel, wist men dat er helemaal geen spook was.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
midden-limburgs
a
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Cuppenske   
Naam Locatie in Tekst
Sint-Lambrechts-Herk   
