Hoofdtekst
U poesen hoek weunde der een, die daar oltijd mee spotte met die doodkeersen. Miel, ‘k en kenne zinen achtername niet meer, en je dronk ook geren een pinte, en je zat e keer up de Zwijnhoek met weer ’n krekke up (boven zijn theewater), en je lachte daar were mee. Achter een endeke je ging voort, je vrijde entwaar in Zillebeke, langs de Bastièrebus, en da wos ton nog een gevaarlijke route, maar Miel wos nogal ne stoute duvel en dadde koste hem ol nie schelen. Maar oetie een endetje in den bus wos, begosten de takken olmettekeer te slaan en te kraken, je wierd daar plat up de grond neregeslagen, je wos met de slag nuchter, je krasselde (sukkelde) rechte en draaide zijn karre en hem naar huus, te lope. Je sprong bijkand de deure in. "Zere, zere, moeder", zeitne, "laat mij binnen. ’t Zit achter mi." Zin moeder verschoot masse (heftig) en wiste niet wuk da dat wos. En Miel ging gaan slapen, ’t was nog up zoldekes dasse ton sliepen, maar je zag hem die keerse were deur ’t dakvenster en pertank zulk ne busbing (doordrijver), allè zulk ne stoute duvel, en je doste niet meer boven slapen, j’hè geheel de nacht beneên geslapen, en zin moeder Barbaraatje dat ’n doorchristelijk vrouwmens wos, zei der tegen: "Spot daar niet meer mee, en doe gelijk ol de normale mensen in de plekke van de welweter uit te hangen."
Beschrijving
Een dronkaard ging van de Zwijnhoek naar Zillebeke waar zijn vriendin woonde. De man ging langs het Bastièrebos, dat berucht was omdat het er spookte. In het bos hoorde de man takken kraken en werd hij tegen de grond geslagen. Doodsbang krabbelde de man recht en liep naar huis. Toen de man in zijn bed lag, zag hij het lichtje nog door het dakraam.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (ieper)
40
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Bastièrebos (Geluveld)   
Naam Locatie in Tekst
Geluveld   
Plaats van Handelen
Zwijnhoek   
Zillebeke   
