Hoofdtekst
I Maar ze vertelden toch nog van heksen en spoken vroeger?39 Jaja. Dat was maar wat heksen en spoken. Toone Baalteze die woonde in Lafelt bij Zjang Héénkes en die kwam ‘jòuet’ en die kreeg in ene keer daar een licht in de gaten. En dat ging altijd zo: aan, uit; aan, uit. Altijd maar zo door: aan, uit; aan… Dan (begon hij) te denken - Toone was altijd zo: "Wat zou dat toch potverdomme wel zijn, met dat smerig rotlicht?" Ten langen leste viel hem dat in z’n gedachten. Toen was dat de ‘Hèèzer Mjùle’ wat aan het malen was. En die had hier een vensterke op uit staan, wùur. En door de vleugelen (= wieken) die daarvoor doorgingen, hé, voor dat vensterke, de vleugelen van de molen was dat licht uit, aan; uit, aan.I Die dacht dat dat een dwaallichtje was of zo.[lacht] Ja, ten langen leste, die was daar heel bekend, wùur (= die kende de streek goed). Toen dacht hij ten langen leste: "Dat moet de molen zijn." En toen kreeg hij ‘credit’ (= gelijk), ja.
Beschrijving
Op een avond zag een man een vreemd lichtje dat de hele tijd aan en uit ging. Even later realiseerde de man zich dat hij het licht zag, dat door het raampje van de molen scheen. Omdat de wieken telkens vóór het raampje draaiden, leek het alsof het licht aan en uit ging.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
limburgs (groot-riemst)
39J 523
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Vlijtingen   
