Hoofdtekst
Beceu was ne geest die in de hoven hoekerde (verbleef, vertoefde). Je zat oltijd op de dilten. De boeren wisten dadde. Oet ze riepen: “Beceu, smiet ne boendel of”, je smeet er oltied twee of. Je had de geweunte van oltied het dubbele of te smieten van hetgeen je vroeg. Zei je ollene: “Beceu, smiet of” ton smeet ne heel de tas of. Oet de minsen ip bedevoart giengen, ton zweefde ne roend de minsen of liet hem droagen. Ze giengen ne keer noa de paster en hèn ne verwinst toet an de Roeo Zee, en je mochte were keren, mo je mochte ollene rusten ip den top van nen groene droage bieze. Er zien geen zukke.
Beschrijving
In de boerderijen vertoefde een plaaggeest die Beceu werd genoemd. Als de boeren vroegen: "Beceu, gooi een bussel naar beneden!", dan gooide Beceu twee bussels naar beneden. Hij deed altijd het dubbele van wat men hem had gevraagd. Als de mensen op bedevaart gingen, dan zweefde Beceu rond hen of liet zich dragen. Op een dag heeft de pastoor Beceu verbannen naar de Rode Zee. Beceu mocht terugkomen, maar hij mocht alleen rusten op de top van een groene bies, en dat bestond natuurlijk niet.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (tielt en izegem)
15
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Beceu   
Beceu   
Naam Locatie in Tekst
Izegem   
Plaats van Handelen
Rode Zee   
